donderdag 23 februari 2017

De Transitie moddert lekker verder…

Wat waren de dames en heren politici toch weer lief voor zichzelf tijdens het Algemeen Overleg jeugdzorg (23 febrauri 2017) waar de problemen met de jeugdhulp onder regie van de gemeenten werden besproken.(1) Problemen die deels al bestonden vóór de Transitie een feit was, maar die voor een groot deel juist zijn gecreëerd door de Transitie of de Decentralisatie zoals het gedrocht ook wel wordt genoemd. Na twee jaar jammerlijk falen van de jeugdhulpverlening op gemeentelijk niveau horen we nog steeds dezelfde geruststellende woorden terugkeren tijdens het overleg ‘We zijn nog maar net bezig met de transitie…’ Het zou meer in overeenstemming zijn met de torenhoge verwachtingen waarmee de Decentralisatie in 2015 van start ging als de Kamerleden hadden gezegd ‘We zijn al twee jaar aan het aanmodderen met kinderen en hun ouders, maar veel beter is het niet geworden!’ Natuurlijk werd wel even aangestipt dat er ‘iets’ moet gebeuren aan de kwaliteitsverbetering van de wijkteams (Staatssecretaris Van Rijn:’Kijken wat wél werkt, en wat niet werkt’) zonder de enige maatregel te noemen die echt resultaat zou kunnen geven; het stationeren van diagnostische zwaargewichten in de toegangspoort. Dit zou meer kwaliteit opleveren en bij ouders veel zorgen wegnemen als een universitair geschoold persoon de regie voert.

Wederom moesten we vergeefs wachten op de politicus die in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk zou maken dat juist dit centrale onderdeel - het hart van de Transitie- niet naar behoren functioneert en dat daarom alle doelstellingen van preventie en besparing onmogelijk gerealiseerd kunnen worden. Zoveel boetedoening was teveel gevraagd voor Kamerleden die nog worstelen met het gegeven in hoeverre je een hulpvraag eigenlijk mag beoordelen als een sociaal probleem. Want dat je een gezinsplan niet opstelt voor een normaal functionerend gezin dat een kind heeft met kindeigen problematiek, dat begrijpen ze natuurlijk wel, maar waarom moeten dan alle gezinnen met een normale hulpvraag langs de sociale wijkteams worden geloodst om overal in ons land kindermishandeling te signaleren en de jeugd-ggz hulp af te remmen, want dat impliceert toch dat veel hulpvragen juist wél met sociale disfunctionaliteit te maken hebben?

Instanties die dreigen

Het is onwaarschijnlijk dat ouders die zichzelf serieus nemen langs een Sociaal Wijkteam gaan, omdat ze daarvoor teveel zelfrespect hebben en de hulp aan hun kind graag in eigen hand houden via de huisarts en het is even onwaarschijnlijk dat een Tokkie-gezin naar het Sociale Wijkteam gaat, want die menen vaak geen hulp nodig te hebben ook al loopt thuis alles van de rails. Wat blijft er in deze situatie over voor jeugdzorg of het wijkteam? De vijfentachtig procent meldingen die via de politie binnenkomen, net als in het oude systeem vóór de Decentralisatie. Ik zeg het nog maar een keer hardop voor de Kamerleden: ‘Jullie besparen niets!’ De jeugdhulp verloopt na twee jaar niet effectiever, is niet goedkoper en niet laagdrempelig. Bovendien is de rechtspositie van ouders niet verbeterd, omdat de illusie bestond bij bestuurders dat ze het bestraffende karakter van het oude jeugdzorgsysteem konden versoepelen door hulp in het gezin te organiseren met behulp van een ‘gezinsplan’ dat is gebaseerd op het idee van Eigen Kracht. Lieve dames en heren politici, het woord ‘gezinsplan’ impliceert al een disfunctioneel gezin en het potentiële gevaar van kinderbeschermingsmaatregelen.


Een kleine eyeopener voor wie er nooit persoonlijk mee te maken heeft gehad, er bestaat geen gedwongen vrijwillige hulp! Drang is het ‘voorspel’ van dwang. Zodra iemand met instanties te maken krijgt die kunnen dreigen met een beschermtafel of een Raadsonderzoek is hij/zij zijn vrijheid al kwijt, want het is een hulptraject met een pistool tegen je hoofd. En dat zou geen probleem zijn als we zeker wisten dat alleen zeer disfunctionele en kindbeschadigende ouders op die manier met hun rug tegen de muur gezet worden, maar met de gebrekkige rechtsbescherming van nu kan dat iedereen overkomen. De rechter oordeelt niet onafhankelijk omdat hij geen leiding geeft aan het onderzoek, maar zich moet verlaten op het zogenaamde ‘informantenonderzoek’ van de jeugdbeschermers wat op z’n best een ‘meningeninventarisatie’ mag heten. Het bestaat vooral uit vermoedens, indrukken en onderbuikgevoelens.

Drang & Dwang

Welke normale ouder met zijn volle verstand zal zich inlaten met dergelijke organisaties? En toch denken politici nog steeds dat ze iets moois hebben gecreëerd met de overheveling van de jeugdzorgtaken naar de gemeenten, want ze denken dat verbetering van de rechtspositie van ouders niets van doen heeft met de kwaliteit van de jeugdhulp. In werkelijkheid is dat juist één van de voornaamste redenen waarom het met de jeugdhulp in ons land al veertig jaar niet wil lukken. Veel hulpverleningstrajecten lopen uit op een machtsstrijd, want niemand wil graag de regie over zijn eigen gezin verliezen. Nanneke Quik-Schuijt schreef in haar Opinie dat het een tegenstrijdigheid is als een jeugdbeschermingsplein ouders schriftelijk ‘adviseert’ mee te werken, omdat de hulp ‘niet vrijwillig’ meer is.(2) Deze mededeling, gedaan zonder tussenkomst van een rechter, was een voorschot op de juridische maatregel. Dit dreigen door jeugdbeschermers en hulpverleners is al jaren schering en inslag, maar op de een of andere manier wist de jeugdzorglobby het aan de politici die over de Transitie gaan het zo voor te stellen dat het principe van drang & dwang een nieuwe uitvinding was.

Onderzoeksrechter bij jeugdbescherming

Dat had vooral betrekking op het tijds-bestek, want er moest naar het voorbeeld van de gemeente Rotterdam op zo’n kort mogelijke termijn met alle instanties en de ouders om de tafel worden gezeten, zodat het gezinsplan snel klaar zou zijn en daadkrachtige en effectieve hulp zou volgen. Geen jarenlang gesol meer met gezinnen over welke hulp wel of niet nodig was, maar meteen aan de slag. Jammer alleen dat de politiek niet begreep dat je het opdringen van hulp aan een gezin nooit zou mogen doen zonder tussenkomst van een rechter, die bovendien niet uitsluitend door jeugdbeschermers geïnformeerd zou moeten worden (beschermtafels dreigen met de rechter op basis van hun eigen gekleurde rapportages net als het oude jeugdzorg) maar door onafhankelijke personen, zoals is voorgesteld door advocaat Huib Struycken.(3) Een officier van justitie in samenwerking met een onderzoeksrechter zou binnen drie dagen kunnen constateren of een kind acuut gevaar loopt en zo nodig maatregelen nemen. Indien dat niet het geval is, kan de vraag gesteld worden met welk recht een hulpverlenende instantie ergens mee zou moeten dreigen. Als hulpverleners niet verder gaan dan de zorg signaleren en deze melden, zonder zelf belast te worden met de risicotaxatie, kan hulp gewoon hulp blijven zonder te verworden tot de chantage die met een beschaafd woord ‘drang’ wordt genoemd.

Hulpverlener als kinderdief

De Transitie zal nooit ‘werken’ als burgers geen vertrouwen hebben in de kwaliteit van de wijkteams en het vrijwillige karakter van de hulp. Als eenzijdig vanuit het wijkteam besloten kan worden dat de hulp opeens niet vrijwillig meer is, blijft dezelfde problematiek als bij Bureau Jeugdzorg de afgelopen twintig jaar bestaan. De hulpverlener verandert geleidelijk aan in een kinderdief, omdat in dit systeem -waar de tijd altijd in het nadeel van ouders werkt - de hulpvraag wordt omgezet in een risicoanalyse, vaak vanwege weigering om zonder meer de aanwijzingen van de hulpverleners op te volgen. Het ‘belang van het kind’ is daarbij de mantra die elke handelswijze moet legitimeren, maar de specificatie daarvan ligt weer bij de jeugdbeschermers en hun veronderstelde professionaliteit. Natuurlijk kan jeugdzorg niet zomaar een kind onteigenen, maar veel ouders zien dat de ‘rechterlijke toetsing’ door jeugdzorg en de politiek als een goedkoop excuus wordt gebruikt ter verdediging van een rammelend systeem waarin ze al lang geen vertrouwen meer hebben. De onafhankelijkheid en de deskundigheid van de rechter staan ter discussie, want deze is teveel het verlengstuk van jeugdzorg en de Raad geworden. Gebrek aan overheidstoezicht op het verloop van hulpverlening in het gedwongen kader krijgt maar al te vaak het gemakkelijke afsluitdeksel van ‘vertrouwen in de jeugdzorgprofessional’.

Hulpverlening of strafmaatregel

Het probleem is dat we in ons land één woord gebruiken voor twee totaal verschillende zaken. ‘Hulpverlening’ en ‘kinderbescherming’ noemen we beiden ‘jeugdhulp’ alsof ze de beste vrienden zijn. Dit is een groot probleem, omdat het tegelijk het vrijwillige karakter van normale hulpverlening ondermijnt en het idee geeft dat kindermishandeling een uit de hand gelopen ‘opvoedprobleempje’ is. In werkelijkheid zijn het gescheiden werelden en zijn de sectoren van hulpverlening en kinderbescherming gescheiden beroepen. Een hulpverlener valt onder het Ministerie van VWS en een Raadsmedewerker werkt voor het Ministerie van Veiligheid & Justitie, wat gaat over strafbare feiten. Waarom zou je als politiek een constructie bedenken waarin deze twee samen gaan? Het antwoord is eenvoudig, omdat men de straf voor kindermishandeling graag wil verzachten door er een kinderbeschermingsmaatregel voor in de plaatst te stellen, zodat de falende opvoeder zichzelf nog kan verbeteren. Ook voor het kind is het beter als het niet meteen (en voorgoed) bij de ouders wordt weggehaald. Maar in de praktijk zien we dat kinderen juist langs vele pleegplaatsingen en verblijven in instellingen net zo hechtingsgestoord worden als wanneer ze thuis waren gebleven. Het opvoedende karakter van de hulp valt vaak bijzonder tegen, zowel voor ouders als voor het kind. Als kindermishandeling en verwaarlozing overduidelijk zijn kan er worden ingegrepen, maar er bestaan volgens jeugdzorg zeer veel twijfelgevallen. Het komt menigeen voor dat niet altijd de gezinssituatie ‘complex’ is als wel de denkwijze van de jeugdbeschermer en de willekeurige maatstaven die deze (in teamverband) aanlegt voor het wel of niet ingrijpen in een gezin. Met andere woorden, de professionaliteit laat te wensen over en dat lijkt te verwachten als je bent opgeleid tot hulpverlener en niet tot forensisch onderzoeker of psychiater.

Sociaal werkers en gezinsdrama’s

Waarom maken wij hulpverleners met een opleiding tot sociaal werker verantwoordelijk voor situaties van leven en dood? Waarom denken we dat een ‘niet pluis’-gevoel een goed instrument is om mee te interveniëren? Waarom laten we de hulpverlener constant zijn pet afzetten en omruilen met die van een agent (en weer terug), terwijl we blijven geloven dat we de hulp aan jeugdigen laagdrempelig kunnen maken en op die manier preventief werken, zodat het niet tot kindermishandeling hoeft te komen? Het systeem werkt zichzelf op alle mogelijke manieren tegen, maar het blijft iedereen verbazen dat er na twee jaar Transitie-gemodder eigenlijk niets verbeterd is. Gelukkig hebben de politici zoveel kopzorgen over de technische details van de Transitie (‘moeten we jeugdhulp Europees aanbesteden?’), dat ze worden afgeleid van het regelrechte falen van de denkwijze die aan de Decentralisatie vooraf ging: het idee dat de Wijkteams de centrale toegangspoort zouden worden tot de jeugdhulp en dat we op een makkelijke manier zouden kunnen onderscheiden tussen vrijwillige hulp en hulp in het gedwongen kader -met opschalen en afschalen- zonder de rechtspositie van ouders te borgen. Politici streven er op dit moment naar de ergste mankementen van de overheveling naar de gemeenten te verhelpen en de kwaliteitsverbetering die op geen enkele manier wordt waargemaakt is daardoor naar de achtergrond geschoven. Dat is een probleem voor het volgende kabinet, dat door een merkbaar gebrek aan zelfstandigheid van de gemeenten op het gebied van jeugdbeleid, de komende jaren flink lastig zal worden gevallen met allerlei zaken die landelijk niet goed zijn geregeld.  


(3)Jeugdbescherming heeft onderzoeksrechter nodig. http://svensnijer-essays.blogspot.nl/2017/02/jeugdbescherming-heeft.html

woensdag 22 februari 2017

Jeugdbescherming heeft onderzoeksrechter nodig


Met de Decentralisatie van de jeugdzorg die van start ging op 1 januari 2015 werd beoogd de hulp aan jeugdigen te verbeteren op het gebied van toegankelijkheid en preventie in een wijkgerichte aanpak onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Men hoopte zo betere zorg op maat te kunnen leveren aan jeugdigen door de hulp dichtbij te organiseren met gebruikmaking van de Eigen Kracht van gezinnen. Deze sociale benadering van de problemen in gezinssituaties ging echter voorbij aan de rechtspositie van ouders en kinderen onder jeugdzorg die structureel ongewijzigd bleef en in bepaalde opzichten zelfs verslechterde, zoals met het blokkaderecht voor pleegouders na één jaar. Ook de verregaande gemeentelijke bemoeienis met gezinnen vanuit de sociale wijkteams volgens het drang & dwang-principe werd door oud-kinderrechter Nanneke Quik-Schuijt al bestempeld als een verdere vervaging van de grens tussen vrijwillige en gedwongen hulp.(1) Volgens jeugd- en familierechtadvocaat Huib Struycken wordt het hoog tijd dat er een belangrijke wijziging komt in de manier waarop er in ons land wordt omgegaan met de uitvoering van kinderbeschermingsmaat-regelen, want het huidige systeem is niet in het belang van ouders en kinderen.

Verantwoordelijkheid bij jeugdzorg weghalen

Anders dan in de huidige benadering van het Ministerie Veiligheid & Justitie, dat eind 2017 samen met jeugdzorgorganisaties en ouderplatforms een ‘Congres Waarheidsvinding’ wil organiseren vanuit het perspectief en de bevoegdheden van Veilig Thuis, Jeugdzorg (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming, wil Struycken de verantwoordelijkheid voor de waarheidsvinding helemaal bij deze organisaties weghalen.(2) In plaats daarvan pleit hij voor een onafhankelijke onderzoeksrechter die in geval van ernstige zorgen over de veiligheid van een kind binnen drie dagen alle betrokkenen hoort in een zaak, zodat ook de ouders met ondersteuning van een advocaat de kans krijgen om hun verhaal te doen. Volgens Struycken denken Jeugdzorg en de Raad dat waarheidsvinding aan hen is overgelaten en de kinderrechter schuift daarmee tot op heden zijn verantwoorde-lijkheden op een makkelijke manier naar de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instelling.(3) “De kinderrechter toetst nauwelijks en dat komt door het systeem waarin de kinderrechter de zwakste schakel is. Wat ze nu in de jeugdwet hebben ingebouwd met artikel 3.3 is een soort gedragscode die suggereert dat de Raad voor de Kinderbescherming zoveel mogelijk de waarheid zal zeggen.”

Artikel 3.3: “De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.”
 
Officier van Justitie

Struycken noemt dit een loze wetgeving, waar je eigenlijk niets aan hebt. “De verantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld een uithuis-plaatsing moeten we niet neerleggen bij een kinderrechter op aangeven van Jeugdzorg of de Raad, want dan krijg je collega's die elkaar weer moeten beoordelen. Die verant-woordelijkheid moet je leggen bij een andere autoriteit, namelijk de officier van justitie. De jeugdwerkers maken dan een proces-verbaal dat ze samen met de politie aanbieden aan de officier van justitie. De officier van justitie moet binnen het kader van het civiele recht de bevoegdheid krijgen bepaalde vorderingen in te stellen, zoals een machtiging uithuisplaatsing en dit wordt dan getoetst door een onafhankelijke rechter. Nu krijgt de Raad voor de Kinderbescherming een machtiging uithuisplaatsing en wordt achteraf niet onderzocht op welke wijze dit is uitgevoerd en op welke rechtsgronden. De bevoegdheden zijn aan Raad en Jeugdzorg gegeven, evenals zeggenschap over de bezoekregeling die door jeugdzorg kan worden teruggedraaid of opgeschort na een schriftelijke aanwijzing zonder dat de rechter hierover oordeelt.”

‘Checks and Balances’

De Amsterdamse advocaat benadrukt de voorwaardelijkheid van een machtiging en de gebrekkige manier waarop er nu uitvoering aan wordt gegeven. “Een machtiging tot uithuisplaatsing of de verlenging daarvan is slechts een bevoegdheid (discretionair) die moet worden uitgevoerd als hij voldoet aan bepaalde eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Als een rechter zou toetsen volgens mijn benadering, dan zou die kunnen zeggen ‘Luister eens, het feit dat moeder niet bij een afspraak is komen opdagen zonder af te bellen is toch geen reden om een kind uit huis te plaatsen?’ In het geheel van bevoegdheden moeten er ‘checks and balances’ zijn, zodat degene die moet toetsen of een maatregel noodzakelijk is, een ander is dan degene die de maatregel uitvoert en die belang heeft bij die maatregel. Bij Jeugdzorg wordt men gefinancierd op basis van uithuisplaatsing en eigenlijk wordt er niet naar behoren getoetst op de nood- zakelijkheid ervan. Degene die de beslissing neemt of er een onderzoek moet komen zou eigenlijk onafhankelijk moeten zijn.”

Strenge toetsing van maatregelen

Het is volgens Struycken in de Jeugdzorg een flinke business geworden. Zo is hem een zaak bekend waar de hulpverlening binnen een gezin tenietgedaan werd, omdat plaatsing in een pleeggezin meer geld en werkgelegenheid opleverde voor de Gecertificeerde Instelling. “Men zegt dan na twee en een half jaar dat de maatregelen niet meer nodig zijn, maar eigenlijk moet de noodzaak tot verlenging heel streng gecontroleerd worden. Men stelt maar uit, maar als Jeugdzorg niet op tijd met een rapport komt of met goede argumenten, zou een rechter moeten zeggen dat er niet verlengd gaat worden. Bij inbreuken op de mensenrechten en de verdragen moet er een strenge toetsing zijn door een rechter. In het strafrecht is de onderzoeksrechter maar korte tijd bezig met de vraag of er een verlenging moet komen en doet dan verder onderzoek naar de zaak en vervolgens kijkt de Raadkamer (vroeger was dat elke 30 dagen) of de verlenging nog wel nodig is. Een eerste toets door de rechter-commissaris kan al laten zien dat een verlenging evidente onzin is, omdat de wijze van optreden niet door de beugel kan en er geen goede gronden zijn. Zo kan veel onnodig leed worden voorkomen.”

“Het kan niet zo zijn dat het hele systeem, van bijvoorbeeld het wegkapen van kinderen van het schoolplein, rechtmatig is”

Rechter toetst achteraf

Voor Struycken kan het gevaar van te laat ingrijpen geen reden zijn om het huidige systeem te handhaven, want kinderen raken ook beschadigd door onnodig ingrijpen in een gezinssituatie. “Het kan niet zo zijn dat het hele systeem, van bijvoorbeeld het wegkapen van kinderen van het schoolplein, rechtmatig is en dat je daar niets meer aan kunt doen. Je komt als ouders misschien weer terug bij dezelfde rechter die de beslissing heeft genomen en die komt niet meer terug op zijn/haar oude beslissing, maar als je een officier van justitie hebt zit daar grotere afstand tussen. 

Als je de verantwoordelijkheid legt bij de officier van justitie en zegt dat die de bevoegdheid heeft op te treden als daar echt een noodzaak toe is, dan is het Ministerie van Veiligheid & Justitie bang dat er niet snel genoeg kan worden opgetreden met zo’n constructie. Jeugdzorg en de Raad zouden dan niet snel genoeg kunnen handelen, maar dat is niet waar. Het betekent wel dat ze niet langer hun ongebreidelde gang kunnen gaan zoals decennialang is gebeurd, wanneer jeugdzorg bij verzoek tot terugplaatsing gaat uitstellen en uitstellen en uitstellen... De hele chantage van ‘als u tegenwerkt dan gaan we ook uw andere kinderen uit huis plaatsen’ kun je dan voorkomen. Je kunt dan als rechter in het geval van de zaak Yunus vragen om het radiologisch rapport van het ziekenhuis in te zien, dan was meteen gebleken dat die uithuisplaatsing geen grond had.”(4)

Mishandeling een misdrijf

Het voorstel van Struycken biedt op een meer integrale manier hulp aan gezinnen dan in het huidige systeem waar de belangen van ouders en kinderen vaak als strijdig met elkaar worden opgevat. Jeugdzorg adverteert zichzelf als een organisatie die hulp biedt aan ouders en kinderen, maar dit wordt door ouders lang niet altijd zo ervaren. “Als kinderen worden mishandeld wordt er een misdrijf begaan en dan kun je op basis daarvan de ouders arresteren en dan moet er een voorziening komen. Dan kan de officier van justitie meteen beslissen tot uithuisplaatsing, omdat de kinderen acuut bedreigd worden. In zo’n situatie kan heel snel ingegrepen worden als dat nodig is. En als je merkt dat psychiatrische problematiek een rol speelt dan kun je snel mensen opgenomen krijgen. Dan is er ook direct hulp voor de ouder(s), wat in het huidige systeem achterwege blijft. De kinderen zijn weg en er wordt geen hulp geboden aan de ouders. 

Het is een straf en geen ondersteuning, wat je zou mogen verwachten in een rechtsstaat. Het is niet alleen werkgelegenheid die een grote rol speelt in het huidige systeem van 'jeugdhulp', maar ook misbruik maken van de omstandigheden. Het Ministerie van Veiligheid & Justitie en de jeugdzorglobby kunnen wel zeggen dat deze benadering hen teveel werk gaat opleveren per casus als de officier van justitie zo'n beslissing moet nemen, maar het is niet veel meer werk dan wat ze nu verrichten. We zien nu eindeloos gesol met ouders en kinderen en hulp die maar niet op gang komt. De kinderrechter zou moeten bepalen welke deskundige onderzoek moet doen en niet Bureau Jeugdzorg (GI) zelf. De kinderrechter moet kunnen zeggen, ‘Nee, ik heb de voorkeur aan die of die onderzoeker/ gedragsdeskundige’ buiten de Raad en de jeugdbescherming. De processen verbaal die dan opgemaakt worden door jeugdbeschermers zijn mensen die dat proces-verbaal onder ambtseed afleggen. Dan pas creëer je een heel andere situatie.”

“Het horen van ouders is in dit systeem gewoon weggeregeld.” 

Betekening van de machtiging

“De machtiging UHP die wordt afgegeven door de rechter is een beschikking en een beschikking moet eigenlijk niet door de politie ten uitvoer worden gelegd, maar door een deurwaarder. Die moet eerst betekenen (art.430, lid 3 Rv) en er moet een aanmaning aan voorafgaan, omdat aan vrijwillig- heid de voorkeur wordt gegeven. Door de betekening maakt een deurwaarder een beschikking bekend, want een beschikking heeft geen rechtskracht voordat deze bekend is geworden. Deze betekening doen ze nooit bij een uithuisplaatsing en dat wordt ook niet getoetst. Ik heb het al vijf keer voorgelegd aan de Hoge Raad en die kijkt de andere kant op. Als er een deurwaarder aan de deur komt die zegt dat ze de kinderen uit huis gaan  halen, kun je als ouder zeggen ‘Ik ga een kort geding aanspannen’. Dan heb je de mogelijkheid om het aan een rechter voor te leggen en worden de kinderen niet zomaar meegenomen, zoals nu gebeurt. Het Europese Hof van Justitie heeft al bepaald dat dergelijke bezwarende maatregelen alleen mogen worden genomen als je als ouder de gelegenheid hebt gehad om gehoord te worden. Het horen van ouders is in dit systeem gewoon weggeregeld. Het verzoek tot vrijheidsberovende maatregelen dient door een rechter getoetst te zijn en nu valt de politie zomaar binnen op last van Jeugdzorg en de Raad. Zij hebben geheel eenzijdig de rechter geïnformeerd en binnen een uur hebben ze machtiging  uithuisplaatsing (vroeger zelfs met één telefoontje).”

Gezinsdrama’s voorkomen

“Deze nieuwe benadering geeft ook een beter resultaat in gevallen waar er wel iets ernstigs aan de hand is met het kind. Neem nu de kwestie van gezinsdrama’s waarbij een kind overlijdt, terwijl er tal van (jeugd)hulpinstanties bij het gezin betrokken waren. (5) Het komt voor dat vertegenwoordigers van jeugdzorg of de Raad voor de kinderbescherming twijfelen of ze wel of niet iets moeten doen, wat in het beroepsjargon ‘handelingsverlegenheid’ wordt genoemd. Je zou het dan als noodgeval kunnen voorleggen aan de magistraat, met de mededeling ‘Wij weten het niet zeker, maar het lijkt ons dat er hier wat aan de hand is’. Die magistraat kan meteen optreden en het voorleggen aan de rechter-commissaris, die dan de mogelijkheid heeft om onmiddellijk mensen op te roepen, zodat er een veel duidelijker beeld ontstaat van de situatie.”

“De verantwoordelijkheid tot een uithuisplaatsing mag je eigenlijk niet neerleggen bij de persoon die in een directe relatie staat tot het gezin, degene die ze begeleidt. Ze mogen hun vermoedens uiten, maar een onafhankelijke rechter moet de zaak onderzoeken. Zo voorkom je dat het te lang gaat duren dat er opgetreden wordt als het echt nodig is en als ingrijpen in het gezin naar de mening van de rechter-commissaris onnodig is, hebben de betrokken medewerkers niet het idee dat ze het nog eens nader moeten motiveren ook. Dat het als het ware ‘volgehouden’ moet worden, omdat ze een voorstelling van zaken hebben gegeven aan een rechter die ze eigenlijk niet waar kunnen maken. En dat de rechter daarop ingegaan is, omdat die denkt ‘Laat ik nu toch maar verlengen, want misschien komt er later nog iets naar boven wat zorgelijk is.”

Struycken meent dat het oude systeem eigenlijk beter was, met een speciale kinderrechter die leiding gaf aan een zaak. In 1995 werd die functie afgeschaft en nu worden jeugdrechtszaken behandeld door gewone rechters in een roulerend systeem. Al vaker is door advocaten en ouderondersteuners aangegeven dat dit een verlies van deskundigheid betekent aan de kant van de rechter en teveel macht voor de jeugdbeschermers, waar deze zich noodgedwongen op moet verlaten. “Aan alle kanten is de rechtsbescherming weggeregeld, maar mensen in het veld moeten een andere bevoegdheid hebben dan degenen die de beslissingen nemen. Dit plan zal leiden tot veel minder uithuisplaatsingen en uiteindelijk veel minder kosten. De officier van justitie werkt op ambtseed en mensen van de Raad of Jeugdzorg niet. “

[NB:Volgens de laatste berichten zou Jeugdzorg het pas ingevoerde tuchtrecht het liefst weer afschaffen.(6)]

Sven Snijer


Bij het Algemeen Overleg jeugdhulp van 23 februari 2017 is door Kamerlid Norbert Klein (Vrijzinnige Partij) het idee van een onderzoeksrechter ingebracht. Hij stelde zich de vraag hoe het toch komt dat de rechter in negentig procent van de uitspraken over kinderbeschermingsmaatregelen gehoor geeft aan de adviezen van jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming en of dit te maken kan hebben met het niet volledig geïnformeerd zijn door deze instanties. Dit vanwege de belangen van de Gecertificeerde instelling zelf, waarbij soms de indruk kan ontstaan dat er sprake is van ‘kinderhandel’.



Huib Struycken is medeoprichter van het Nederlands Advocaten Comité Familie- & Jeugdrecht dat zich ten doel gesteld heeft de integriteit in het  Famlie- en Jeugdrecht te verbeteren.http://www.advocatencomite.nl/


(2)De kwestie van het ‘beter scheiden van feiten en meningen’ in rapportages van Veilig Thuis, Jeugdzorg of de Raad, zoals de Kinderombudsman Dullaert heeft geadviseerd komt hiermee te vervallen, omdat jeugdbeschermers niet langer de autoriteit zijn waar de rechter blind op vertrouwt bij de beslissing tot gedwongen maatregelen.

(3)Hoewel rechters besluiten van de jeugdzorg toetsen, komt daar in de praktijk volgens beide advocaten te weinig van terecht. Doorgaans wordt de visie van de Raad voor de Kinderbescherming of de jeugdzorginstelling gevolgd. Ook als sprake is van aantoonbare onjuistheden, liegen of valsheid in geschrifte. Mercanoglu: ,,Toen ik in een zitting aangaf dat de voogd loog zei de rechter: 'Ik geloof de gezinsvoogd altijd' https://blendle.com/i/tubantia-enschede/dictatuur-van-de-jeugdzorg/bnl-ttenschede-20160528-6470400




“Gezinsmanagers ervaren het tuchtrecht als een enorm verzwarende factor voor het toch al zware werk dat zij doen (…) Wij pleiten ervoor het tuchtrecht af te schaffen. In plaats van een externe tuchtrechtprocedure mag naast SKJ-registratie van instellingen verwacht worden dat zij zelf het functioneren van individuele medewerkers in de gaten houden.”