dinsdag 8 november 2016

De rammelende toegangspoort tot de jeugdhulp


Eén van de weinige voordelen van de Decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten is dat het problemen aan het licht brengt die al sinds jaar en dag praktijk zijn in deze sector, maar waar niemand iets aan wil doen. Zo bestond er bij Bureau Jeugdzorg het probleem van onvoldoende kennis bij gezinsvoogden en casemanagers op gebieden als psychologie, psychopathologie, pedagogiek en orthopedagogiek.

Dit leidde gekoppeld aan de jonge leeftijd van de jeugd-beschermers vaak tot twijfelachtige resultaten die nog eens werden verergerd door de alternatiefstelling van artikel 35 UvB-WJz,(1) waardoor een gedragswetenschapper niet zelf onderzoek hoefde te doen naar het kind, maar de mening van de gezinsvoogd leidend was. Deskundige hulp van universitair niveau kon binnen Bureau Jeugdzorg omzeild worden door de gezinsvoogd de ‘diagnostische signalen’ te laten overbrengen aan de gedragswetenschapper die na ‘multidisciplinair overleg’ enkel een krabbel hoefde te zetten onder het behandelplan.

Gebrek aan deskundigheid lag samen met een gebrek aan feitenonderzoek (naar beweringen gedaan door informanten -‘waarheidsvinding’) aan de wortel van de problemen in de jeugdzorg en het is precies dat gebrek aan deskundigheid dat we nu opnieuw terug zien bij de sociale wijkteams. Het wrange is dat mensen die langzamerhand beginnen te signaleren wat er bij de wijkteams mis gaat en daar oplossingen voor proberen aan te dragen, met dezelfde welwillende onzin aankomen die in het oude systeem nooit heeft gewerkt. Zo stelt Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer, die terecht begaan is met de gebrekkige rechtspositie van gezinnen in contact met de gemeentelijke sociale wijkteams (2), een oplossing voor die niet alleen averechts zal werken, maar die ook nog eens als twee druppels water lijkt op het oude jeugdzorgsysteem. Haar idee om de wijkteams te laten scholen door psychologen of pedagogen, om ze in staat te stellen complexe problemen sneller te herkennen en beter te kunnen inschatten wanneer ze moeten doorverwijzen naar specialistische zorg, zal de bestaande problemen niet verhelpen.

Transitie was een blinde gok

Bureau Jeugdzorg, dat slecht functionerende systeem waar men vanaf wilde met een radicale omwenteling in het sociale domein, was bij uitstek een instantie die tot grote ontevredenheid van ouders ‘op de stoel van de specialist’ ging zitten. Waarom zou je de jeugdhulp dan vervolgens op exact dezelfde manier organiseren bij de gemeenten? Het antwoord is even simpel als bedroevend; omdat de wijkteams nooit op volledige capaciteit hebben gedraaid met de proeftuinen voorafgaand aan de Transitie in januari 2015 en ze nu bij de gemeenten tegen dezelfde problemen aanlopen als hiervoor Bureau Jeugdzorg. Dezelfde problemen worden zichtbaar, dus dezelfde oplossingen worden gesuggereerd. De resultaten van de proeftuinen -enkel met lichte opvoedhulp en adviesgesprekken- waren nog niet binnen toen er in de Tweede Kamer al mee werd ingestemd door parlementariërs die zich hadden laten verblinden door de participatie-ideologie en Eigen Kracht-utopie. Er werd gesuggereerd dat het jeugdbeschermen en het helpen van gezinnen volgens heel andere regels zou gaan verlopen, maar daar was geen enkel bewijs voor gezien de zeer gebrekkige informatie die beschikbaar was op het moment dat het politieke besluit werd genomen. Er is nooit aangetoond dat de wijkteams daadwerkelijk preventief zouden werken, dat de vraag naar j-ggz hulp echt naar beneden zou gaan, dat de wijkteams voldoende aandeel zouden hebben in het totaal van de hulpvragen, dat ze de centrale toegangspoort zouden zijn die aan ‘volumebeheersing’ kon doen en vooral dat ze het beter zouden doen dan Bureau Jeugdzorg. Wat we nu zien gebeuren is dat de wijkteams zoals voorspeld steeds meer gaan lijken op Bureau Jeugdzorg, met als bonus dat er via wijk- en schoolbemoeienis nog meer ongevraagd in het privéleven van mensen wordt ingegrepen dan hiervoor.  

'Sociaal doe het zelven'

Voor de start van de Transitie werd in Amsterdam beloofd dat de Ouder en Kindadviseurs die zijn verbonden met de wijkteams over een basiskennis psychiatrie zouden beschikken.(3) Dit zou ze in staat stellen om opererend vanuit de scholen, goed in te schatten wanneer specialistische hulp ‘ingevlogen’ diende te worden, maar toen de Decentralisatie al meer dan een jaar een feit was bleek er van deze basiskennis nog geen sprake. Een duidelijk voorbeeld van hoe onvoorbereid men was in de hoofdstad. En Amsterdam werd in veel opzichten als voorbeeld gezien voor andere gemeenten, want de toenmalige bestuursvoorzitter van Jeugdbescherming Amsterdam Erik Gerritsen was één van de pleitbezorgers van de overheveling en hij trok voortdurend aan de bel dat er meer haast gemaakt moest worden door andere gemeenten om het te laten slagen. Vooral die haast was kenmerkend voor de hele operatie, wat onder meer bleek uit het feit dat de Partij van de Arbeid in Amsterdam één jaar voor de overheveling van de jeugdzorg en j-ggz naar de gemeenten nog geen flauw idee had wat de participatiegedachte precies inhield, want hun eigen wethouder Pieter Hilhorst van onderwijs en jeugdzaken werd ervan beschuldigd dat hij met zijn ‘sociaal-doe-het-zelven’ tegen de traditionele PvdA-opvatting inging dat de overheid een grote rol moet spelen. Ze hadden niet in de gaten dat Hilhorst met zijn plannen om de ‘vrijwilligheid te stimuleren en het eigen initiërend vermogen van burgers aan te moedigen’ juist bezig was om het kabinetsbeleid van PvdA en VVD uit te voeren.(4)

Sympathieke leugens
 
Ik heb dit voorbeeld al vaker aangedragen, maar het blijft illustratief voor de slechte voorbereiding van de gemeenten die geen idee hadden waar ze door het kabinet mee werden opgezadeld, met medewerking van Kamerleden die net zo min begrepen waar ze mee instemden. De Decentralisatie was vooral een mooi verhaal met een aantrekkelijk kostenplaatje, begeleid door een niet nader gespecificeerde ‘eigen regie’ voor gezinnen, zonder dat iemand zich bekommerde om de rechtspositie van die gezinnen bij de gemeenten die met een ‘drang’-benadering de rechter konden omzeilen om hulp op te dringen. Hulp die met zekerheid van een laag niveau zou zijn, omdat in het sociale domein zoveel mogelijk problemen opgelost moesten worden om voor de gemeenten de duurdere j-ggz hulp uit te sparen. Een aanvullende leugen die heel sympathiek overkwam, was dat zodoende veel kinderen van hun stigmatiserende labeltje verlost zouden worden (een diagnose ADHD of autisme) waardoor ze zich ook sociaal beter geaccepteerd zouden voelen. Los van het feit dat het probleem van maatschappelijke acceptatie vooral een probleem is van die maatschappij zelf en veel minder van het labeltje was ook de vooronderstelling dat een groot deel van de zogenaamd kindeigen problematiek in werkelijkheid van sociaal-pedagogische aard zou zijn niet juist. De aanvraag van j-ggz hulp werd na de Transitie niet minder, maar er was wel zuinig ingekocht door de gemeenten op basis van veel te rooskleurige preventiedoelstellingen dus er ontstonden wachtlijsten met alle gevolgen vandien voor de acute en ernstige ggz-gevallen.

'Psycholoog-light'

Met het voorstel van Margritte Kalverboer om van wijkteammedewerkers een soort ‘psycholoog-light’ te maken zijn we weer terug bij af. Ze staat niet alleen in deze benadering, want ook de oud-wethouder jeugdzaken Pieter Hilhorst heeft als Transitie-observator al eens voorgesteld om meer kennis naar de voorkant te halen en niet pas diagnostische kennis toe te passen als eerdere (en niet toepasselijke trajecten) zijn mislukt. Helaas wil niemand doorpakken op dit gebied, want de uiterste consequentie van die redenering zou zijn dat je op zeker moment psychologen en psychiaters in de toegangspoort van de jeugdhulp zet, die dan in de wijkteams gestationeerd zijn. Maar dat wil de politiek niet, omdat ze haar sociale heilsideeën niet wil loslaten die stellen dat veel kindeigen problematiek kan worden opgeheven met een gezinsgerichte aanpak, om zodoende te ‘ontlabelen, demedicaliseren en te normaliseren’. Kort samengevat wil de overheid een soort Bureau Jeugdzorg (nu wijkteams) onder gemeentelijke regie met meer laagdrempeligheid, maar met dezelfde juridische bevoegdheid en zelfs een sneller grijpen naar drangmaatregelen dan onder het oude Bureau Jeugdzorg, wat een volkomen tegenstrijdige en onhaalbare doelstelling is. Daarbij zijn de wijkteams even ondeskundig als het oude Bureau Jeugdzorg en een stuk minder ervaren, zodat veel van de mankementen uit het oude systeem nu komen bovendrijven bij de wijkteams; handelingsverlegenheid, machtsmisbruik, te laat doorverwijzen, slecht regie kunnen voeren, etc.  

Diagnostische zwaargewichten

Het idee om de wijkteams met een basiskennis psychologie en pedagogiek uit te rusten is dus niet nieuw, maar had al gerealiseerd moeten zijn voor 1 januari 2015 omdat zonder deze kennis geen onderscheid gemaakt kan worden in de aard en de zwaarte van de hulpvragen. Echter, bij Bureau Jeugdzorg was het ook de gezinsvoogd of casemanager die bepaalde in welke mate iets als ‘psychiatrisch’ aangeduid moest worden (‘ouders hebben geen inzicht in hun eigen problematiek/ kind is ‘stil’ dus vermoedelijk misbruikt of mishandeld’) en ook daar was onderzoek door de universitair geschoolde gedragswetenschapper optioneel en niet een vereiste. Dit is de oude situatie waar we naar terugkeren als we gaan proberen om van wijkteamleden amateurpsychologen te maken. Iets wat logischerwijze al gerealiseerd had moeten zijn, maar wat vanwege slechte resultaten in het verleden zeer waarschijnlijk ook nu niet zal werken. 

Is er nog een weg uit deze ellende? Ja die is er, want op deze en andere sites wordt in navolging van Professor Rutger Jan van der Gaag al jaren gepleit voor diagnostische zwaargewichten in de toegangspoort van de jeugdzorg, (5) iets wat volgens voormalig staatssecretaris van V&J Fred Teeven (VVD) en Martin van Rijn in de ‘Nadere memorie van antwoord’(6) als sinds de jaren zeventig niet mogelijk is gebleken, zodat het de overheid beter leek om het hele systeem dan maar om te gooien (te decentraliseren) en op gemeentelijk niveau hetzelfde amateurisme te creëren als bij het disfunctionele Bureau Jeugdzorg op provinciaal niveau. Leidraad daarbij was vooral een blind geloof in niet nader onderzochte heilsmiddelen als ‘eigen regie’, Eigen Kracht, participatie, zorg dichtbij, eigen netwerk, ontlabelen, Passend Onderwijs en de Civil Society. De meeste uitvoerende politici en jeugdwerkers weten nog steeds niet wat dit allemaal betekent, maar ze staan voor het voldongen feit dat ze het nu op gemeentelijk niveau moeten waarmaken met een handvol lege begrippen en de langzame in het daglicht tredende verschijning van de oude jeugdzorgstructuren in een maatschappelijk domein dat niet wezenlijk is veranderd, omdat men niet werkelijk heeft willen investeren in meer kwaliteit en een betere rechtspositie voor gezinnen.

Sven Snijer






(5) Het advies van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, prof.dr.Rutger Jan van der Gaag, die al in september 2003 pleitte voor kinder en- jeugdpsychiaters, als ‘diagnostische zwaargewichten’ aan de poort die bij de triage helpen om lange, frustrerende, mislukte hulpverleningsprocessen te voorkomen. Hij was toen al van mening dat het goed zou zijn, als de psychiater (die ook arts is) in het multidisciplinaire overleg een coördinerende taak krijgt en eindverantwoordelijke is!

(Vergelijk dit met de pogingen van de overheid om artsen en specialisten juist te muilkorven door de regie in handen te geven van een budgetregisseur van de gemeente en de sociaal werkers van het wijkteam)


“Ook is het partijen niet gelukt de jeugd-ggz meer naar de voorkant van het traject te brengen en geïntegreerde diagnostiek in bureau jeugdzorg op te zetten. Hierdoor treedt verkokering van zorg op en wordt te laat effectief ingegrepen. Uit de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg (2009) én het rapport van de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg (2010) is de conclusie: De gewenste integratie van jeugdzorg en jeugd-ggz is niet van de grond gekomen. Integrale hulp is nodig omdat gedragsproblemen en psychische problemen vaak samengaan. Maar uit de evaluatie bleek dat cliënten jeugdzorg en jeugd-ggz als gescheiden werelden ervaren. En meer dan de helft van Bureaus Jeugdzorg beoordeelde de samenwerking met de jeugd-ggz als redelijk tot slecht.”

donderdag 27 oktober 2016

Het zinkende zorgschip


Net als de meeste onderdelen van de Decentralisatie die op 1 januari 2015 werd ingevoerd, blijkt ook de participatiewet niet of nauwelijks te werken. Het is oktober 2016 en nog steeds zijn de gemeenten niet in staat om voldoende beschutte werkplekken te realiseren voor mensen die anders op de sociale werkplaats aan de slag zouden gaan, maar die nu omdat het kabinet dat zo graag wil een ‘normale’ baan moeten vinden met behulp van de gemeente en het UWV. Het is de bedoeling dat ze bij reguliere bedrijven een werkplek vinden en de gemeenten hebben daarvoor ondersteunende instrumenten gekregen als loonkostensubsidie, werkplekaanpassingen en no-riskpolissen. Los van de technisch-bestuurlijke aspecten blijft natuurlijk de grote vraag: ‘Waarom moest dit allemaal zo nodig?!’

Verplicht 'normaliseren'

Het oude systeem met sociale werkplaatsen voor mensen die niet in staat waren een volwaardige betrekking te vervullen tegen minimumloon functioneerden prima, maar de vernieuwingsdrang in ons land gaat wel vaker tegen de realiteit van alledag in en bevat regelmatig ambitieuze plannen die zijn uitgedacht door mensen die zelf nooit op de werkvloer zijn geweest. Net als in het nieuwe onderwijs dat ten onrechte het predikaat ‘Passend’ heeft gekregen moeten in navolging van de speciale leerlingen nu ook de Wajongers ‘normaal’ worden en net als ieder ander vrolijk participeren in een samenleving die daar niet op is ingesteld. Waren de sociale werkplaatsen van nature ‘beschut’, bij de reguliere bedrijven moet deze beschutting nog worden ingevoerd en niet vrijwillig maar onder dwang, want waarom zou je als overheid goodwill kweken als je mensen ook tegen hun zin dingen kunt opleggen?

Er bestaan nu al bedrijven waar ze met alle liefde mensen met een arbeidsbeperking opnemen en extra ondersteuning en begeleiding bieden, maar dat zijn idealisten die zelf het idee hebben dat ze naast winst maken ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben naar de zwakkere spelers in het spel. De vraag is in hoeverre werkgevers die van zichzelf deze maatschappelijke verantwoordelijkheid niet voelen of er praktisch gezien geen invulling aan weten te geven opeens enthousiast en betrokken zullen raken met strafmaatregelen vanuit de overheid. En hoe leuk is het voor een jongere met een arbeidsbeperking om ergens gestationeerd te worden waar ze eigenlijk niet op je zitten te wachten?

Slechte voorbereiding van de Transitie

Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt geen verantwoordelijkheid voor de slechte voorbereiding van de participatiewet (1), zoals dit kabinet ook geen verantwoordelijkheid neemt voor de chaotische toestanden in de jeugdzorg en j-gzz die het gevolg zijn van de Transitie, maar schuift de bal door naar de gemeenten. Die hebben geld en een instrumentarium gekregen dus daar moet men zijn, al zal ze wel even snel de wetgeving aanpassen om er druk op te zetten. Maar het was toch echt de regering die deze plannen indertijd met grote haast heeft doorgedrukt en de overgang van mensen van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) naar de Participatiewet onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid beter had moeten begeleiden. De gemeenten zijn sinds de Decentralisatie van kracht werd in hun nieuwe taakstelling zelf ook een beetje gehandicapt en een heleboel ‘toi, toi, toi’ van de Rijksoverheid lijkt daarbij niet echt te helpen. Zoals met de overige onderdelen van de naar de gemeenten gedelegeerde verantwoordelijkheden is het ook bij de Participatiewet onduidelijk wat de meerwaarde ervan is en vooralsnog lijkt het een verslechtering. Een moeizame overgangsfase van bijna twee jaar is al geen reden tot feestvieren, maar als het systeem straks helemaal is doorgevoerd zal het ten opzichte van de oude situatie waarschijnlijk niet veel beter zijn.

Passend Onderwijs

Wanneer houdt het utopisch denken eens op en gaat men begrijpen dat bepaalde zaken zich in de loop van de tijd zo hebben ontwikkeld omdat daar een logica achter zit die door de praktijk werd ingegeven? Alle kinderen op Speciaal Basis Onderwijs en Speciaal Onderwijs moest men zo nodig ‘ontlabelen, demedicaliseren en normaliseren’ (2) maar de speciale onderwijsvormen werden in het verleden niet opgezet als een leuk experimentje. De praktijk wees uit dat er een bepaald aantal onderwijsschijven nodig was om kinderen op hun eigen niveau en in een veilige omgeving te kunnen ontwikkelen. Wat bedoelen de beleidsmakers eigenlijk met het woord ‘passend’ afgezien van nog meer eenheidsworst omdat dat het goedkoopste is? Het meest stuitende van de hele Decentralisatie is dat de zwakkeren in de samenleving of de kwetsbare jeugdigen helemaal niet centraal stonden bij de opzet van dit nieuwe stelsel. Het blijkt uiteindelijk één grote fantasie te zijn geweest uit de koker van idealisten zonder realiteitszin, die werd gesanctioneerd door de rekenmeesters die zich inhoudelijk niet voor de sociale omwenteling interesseerden (en het nog niet half begrepen), maar die het al lang goed vonden dat er een zuinig prijskaartje aanhing.

De resultaten tot zover

Dit zijn de resultaten van de Decentralisatie tot nu toe: doorgaande PGB-ellende, wachtlijsten van drie tot zes maanden voor j-ggz (3) (soms schrijnende gevallen/ toegenomen bureaucratie), handelingsverlegen wijkteams (maar ook wurgcontracten en machtsmisbruik), problemen bij Passend Onderwijs (docenten overbelast en veel thuiszitters), Sociale Wijkteams zijn NIET de centrale toegangspoort geworden tot de jeugdhulp (waardoor geen preventie jeugdzorg, noch volumebeheersing j-ggz en torenhoge kosten voor gemeenten met toch al een ingebakken bezuiniging van 15%), slechte bereikbaarheid van jeugdzorginstanties (jungle),  kennisverlies door het sluiten van specialistische centra, Top-600 van geharde jeugdcriminelen is in enkele jaren gegroeid naar Top-1000, een extra bestuurslaag is nodig voor kleinere gemeenten bij bovenlokale hulpverlening, huisartsen en j-ggz behandelaars worden gedwongen hun beroepsgeheim te breken wegens aanhoudende meldingshysterie (Veilig Thuis), meer ongelukken met bejaarden die langer thuis moeten wonen (overbelasting van Spoed Eisende Hulp), Eigen Kracht wordt misbruikt door gemeenten om j-ggz uit te sparen (gezinnen worden gecriminaliseerd vanuit opvoed- of hulpvraag), privacyschending door gemeenten, de OKA in Amsterdam is nagenoeg ‘onzichtbaar’ ondanks een investering van vele tientallen miljoenen, hoogbejaarden moeten procederen voor extra uren thuishulp, Albert Heijn-medewerkers moeten bejaarden signaleren die ‘van de radar verdwijnen’ (4), buren moeten met overspannen mantelzorgers het gesprek aangaan(5),de validiteit van de participatiegedachte wordt door steeds meer professionals betwijfeld(6), de oude jeugdzorgdilemma’s zien we weer terug bij de wijkteams, de belofte van ‘één gezin-één plan-één regisseur’ wordt nog steeds niet waargemaakt, het ‘grijze gebied’ tussen vrijwillige en gedwongen hulp wordt steeds grijzer, gemeenten sturen de jeugdhulp niet zelf aan maar besteden het uit aan commerciële organisaties, er zijn voor de gezinsvoogdij geen concurrerende Gecertificeerde Instellingen (naast het oude Bureau Jeugdzorg) zodat er niets te kiezen valt, gemeenten kopen niet de beste jeugdhulp maar de goedkoopste, enz.

Nog even volhouden...

Dit is de bredere context waarbinnen de problemen met de Participatiewet moeten worden begrepen. Het is geen geïsoleerde kwestie en ook niet iets dat makkelijk ondervangen kan worden door wat middelen en maatregelen hier en daar, omdat het maar een klein onderdeel is van een sociale omwenteling die over de hele maatschappelijke breedte niet blijkt te werken. ‘Er een mouw aanpassen’ zoals gemeenten doen op diverse Transitieonderdelen of de toevlucht nemen tot noodmaatregelen, zoals staatssecretaris Van Rijn deed met zijn raadgeving aan ouders met kinderen op ggz-wachtlijsten om dan maar naar naburige gemeenten te gaan waar de zorg niet te krap was ingekocht, kan niet verhullen dat het systeem aan alle kanten faalt (7) en dat niet alleen de hoge verwachtingen niet worden waargemaakt, maar dat de kwaliteit van de jeugdhulp in ons land verder achteruit is gegaan en het was al niet best. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe ons jeugdbeleid en de jeugdzorg er zou hebben uitgezien als zoals oorspronkelijk de bedoeling was de directe doorverwijzing van de huisarts naar j-ggz hulp was opgeheven en alle ouders in Nederland voor welke opvoed- of hulpvraag dan ook tot de wijkteams waren veroordeeld in een totalitair plan van staatsopvoeding dat de grondrechten van ouders en kinderen fundamenteel zou hebben aangetast, maar achteraf gezien denk ik dat het er niet veel beroerder zou hebben uitgezien dan het fiasco waar we nu met z’n allen getuige van zijn. We moeten nog even dapper volhouden, want vóór de verkiezingen zullen ze in Den Haag in ieder geval niets toegeven en naar alle waarschijnlijkheid zullen ze ook daarna nog wel een tijdje blijven ‘lachen en zwaaien’ op hun reeds zinkende zorgschip.

Sven Snijer











woensdag 26 oktober 2016

Martelaren of machthebbers


Ik ben vanaf het begin een tegenstander geweest van de Transitie, omdat het doel primair bezuinigingen was en niet een betere kwaliteit van werken in de jeugdbescherming. Men heeft de stem van ouders (met name de roep om een betere rechtspositie) versmald tot een simplistische slogan als Eigen Kracht, die valselijk suggereert dat ouders meer eigen regie krijgen in een kinderbeschermings-traject, want dat is maar schijn.(1) Hetzelfde principe geldt als bij Bureau Jeugdzorg; een glijdende schaal van vrijwillige hulp naar gedwongen maatregelen die gecontroleerd wordt door de hulpverlener/ hulpdwinger die nu Wijkteam heet of Gecertificeerde Instelling.

Oude wijn in nieuwe zakken

De naambordjes zijn veranderd, maar de manier van werken is nog precies hetzelfde, omdat 'drang' onder Bureau Jeugdzorg ook dagelijkse praktijk was. Men koos later bewust voor de term 'drang' alsof het een nieuwe werkwijze betrof, omdat men het aantal gezinsdrama's wilde terugdringen. Het oude jeugdzorg kende zowel 'handelingsverlegenheid' met alle gevolgen van te laat ingrijpen, als de overcompensatie daarvan door te vroeg en te hard ingrijpen, met alle pijn en verdriet die dat tot gevolg heeft voor ouders (en kinderen) die de opvoeding wel degelijk zelf kunnen.

De grootste fout van de Transitie was dat men kunstmatig de j-ggz en (Bureau) jeugdzorg onder de regie van de wijkteams wilde brengen, omdat de veronderstelling was dat de gemeenten dat goed zouden regelen als zij voor de financiën verantwoordelijk werden gesteld. De werkelijkheid is dat gemeenten zeer weinig verstand hebben van jeugdbescherming en in de praktijk zich nog steeds laten leiden door jeugdbeschermers, die nu deel zijn van het wijkteam, Veilig Thuis, GI, etc. De wijkteams blijken nu niet alleen slecht regie te kunnen voeren, maar er gaan ook veel te weinig ouders naar het wijkteam, zodat het geen centrale toegangspoort is geworden tot de jeugdhulp. (2) Hierdoor kunnen ze niet preventief werken en blijft het systeem ongeveer werken als op de oude manier (85% meldingen via de politie).

De sociale ondertoezichtstelling

Het tragische van de hele opzet is dat de manier waarop gemeenten de Eigen Kracht opdringen aan gezinnen al gezien kan worden als een sociale ondertoezichtstelling, want als Jantje autisme heeft moet opeens het hele familiesysteem onderzocht worden of het niet disfunctioneel is. Dit doen ze omdat de gemeente geen dure j-ggz wil betalen en liever opvoedhulp, familie en vrienden (gratis!) inzet in gezinnen, dan door te verwijzen naar j-ggz. Jeugdzorg is niet beter geworden, maar bemoeit zich nog meer dan vroeger met het privéleven van mensen en de opvoeding(schuld)vraag wordt zelfs het vertrekpunt bij een ggz-vraag, vanwege het financiële plaatje! Een absurditeit die rustig ‘communistisch’ genoemd mag worden. Dit is geen ge-bruik van Eigen Kracht, maar misbruik.  

Het zou niet verkeerd zijn als er concurrentie kwam tussen GI's, (3) maar we weten van tevoren dat gemeenten niet begrijpen hoe ze de kwaliteit van de GI's moeten meten of vergelijken. Bij het oude Bureau Jeugdzorg was het meten van de kwaliteit ook jarenlang het grootste probleem. Zowel het slagen als het mislukken van hulptrajecten was in nevelen gehuld, getuige het artikel van Rene Clarijs '‘De dreigende beleidsklucht van de Transitie Jeugdzorg" (2012). De landelijke overheid heeft zich hier nooit voor geïnteresseerd, want de beste verklaring die jeugdzorg of de Raad gaf voor haar manier van werken was: 'De rechter heeft het getoetst', en daar moesten alle sukkelaars het maar mee doen. Jeugdzorgtrajecten moesten vooral theoretisch goed onderbouwd zijn zonder een aantoonbaar verband met de praktijk. Daarnaast wekten jeugdbeschermers veel sympathie met de rol van 'underdog' als frontlijn-werkers van de samenleving, alsof ze een soort martelaren waren in plaats van machthebbers die veel meer krediet kregen bij rechters dan ouders (omdat rechters zelf ook bang waren voor gezinsdrama' s).

Vrijwillige hulp en gedwongen hulp strikt scheiden

De vraag naar concurrentie tussen Gecertificeerde instellingen moet gekoppeld worden aan een actieve rol van de gemeente bij het controleren van de kwaliteit van werken van de GI's en het liefst ook met meer preventie in het voortraject op een vriendelijke manier, maar door het gestuntel van de wijkteams (vaak met de oude jeugdzorgmentaliteit van dwang of hulpeloosheid) zal dat voorlopig wel een utopie blijven. Het allerbeste zou zijn om gedwongen hulp en vrijwillige hulp strikt te scheiden, zodat gewone opvoedhulp niet gecriminaliseerd kan worden. Maak mensen niet verdacht die zelf gemotiveerd zijn en van hun kinderen houden. Laat de echte ‘Tokkies’ over aan de Raad voor de Kinderbescherming en verbeter de vrijwillige opvoedhulp zonder doorschakeling/opschaling naar dwanghulp, want burgers gaan de Wijkteams en GI’s mijden als de pest. (4)

Sven Snijer