dinsdag 27 september 2016

Vertrouw ik mijn huisarts nog?

Het besluit tot een intensievere informatie-uitwisseling tussen hulpverlening en jeugdbeschermers betekent een nieuwe stap voor de groeiende overheidsdwang in de hulpverlening.(1) Het probleem is niet dat jeugdbeschermers over te weinig informatie beschikken, maar dat ze niet goed omspringen met de beschikbare informatie, omdat ze een ondeskundige organisatie zijn. Professor Ido Wijers noemde verscheidene malen dat er grote problemen zijn met de kwaliteit van de gezinsvoogdij (Bureau Jeugdzorg) en daar is tot nog toe niets wezenlijks mee gedaan, hoewel het al jaren bekend is. Het enige dat onze zwakzinnige overheid kan verzinnen is deze karikatuur van een hulpverlener (Gecertificeerde Instelling) nog meer bevoegdheden geven zodat het repressieve element in de hulpverlening steeds manifester wordt, terwijl de kwaliteit van de hulpverlening nog evenveel te wensen over laat.

Meldingshysterie

Wat vooral het gevolg zal zijn van deze maatregel is dat mensen behalve Bureau Jeugdzorg en het Wijkteam, binnenkort ook hun eigen huisarts en GGZ-behandelaar niet meer zullen vertrouwen, waardoor er steeds meer kinderen juist uit het zicht van de hulpverlening zullen raken. Hoeveel gezinsdrama's moeten we nog meemaken voordat de overheid begrijpt dat het niet de 'signalering' is waarbij men tekort schiet, maar de onprofessionele hulp ná de melding. Er wordt al teveel gemeld bij Veilig Thuis en sommige gemeenten kunnen het aantal meldingen niet eens verwerken. (2) Het is behoorlijk triest als je voor de gevallen waar het gevaar voor het kind acuut is een wachtlijst hebt van twee of drie maanden. Maar de meeste gevallen zijn uiteraard niet acuut en daarom is die hele meldingshysterie ook één grote farce.

Kinderen gaan dood onder toezicht van jeugdzorg en ouders worden van hun kinderen vervreemd tegen de feitelijke bedoeling van gezinsvoogdij om de biologische ouders zoveel mogelijk te betrekken bij de hulpverlening aan het kind. Tenzij de ouders flink van het padje af zijn, want dan mogen ze eindeloos herkansen, wat de reden is dat we om de zoveel tijd Telegraafkoppen hebben in de krant: Kind dood, maar acht instanties en twintig hulpverleners betrokken bij het gezin. Dan ontstaat weer de pseudo-discussie over de privacy en het medisch beroepsgeheim, alsof dat er maar iets mee te maken heeft.

De jeugdbeschermers doen niet genoeg met het materiaal dat ze hebben en zijn niet bereid van anderen te leren waarvan de adviezen buiten hun rigide protocollen vallen. Bovendien zijn de hulpverleners er voornamelijk voor zichzelf, want als er een peloton hulpverleners bezig is met één probleemgezin dan is het wel zaak om de noodzaak voor betrokkenheid van je eigen ‘toko’ aan te tonen. Zo was er jaren terug eens een gezin met 23 hulpverleners, waarvan één persoon speciaal langs kwam om de moeder van het gezin te leren om ’s ochtends boterhammen te smeren voor de schoolgaande kinderen. De vraag die ik altijd heb bij dit soort berichten is niet alleen hoeveel gestoorder het nog kan in dit land, maar vooral met wat voor soort blik ze naar de gemiddelde ouder kijken in deze sector? Wie is in godsnaam hun beoogde doelgroep.

Dom en gehoorzaam

Zoals uit alles blijkt is het systeem van jeugdbescherming vooral bedoeld voor infantiele ouders, die zowel extreem veel hulp nodig hebben alsook vrij volgzaam zijn. Het ideale gezin voor de hulpverlening, want er is veel te doen en ouders kunnen haast niets zelf. De dwangmaatregelen zijn vooral bedoeld voor de wat normalere gezinnen waarvan de ouders kunnen terugwijzen naar jeugdzorg en haar kwaliteit van werken. Daar gaat Bureau Jeugdzorg (of het Wijkteam) de juridische strijd mee aan, want die komen in feite aan hun broodwinning door zich niet te onderwerpen.

In het nieuwe systeem van sociale wijkteams als toegangspoort tot de jeugdhulpverlening is het de ‘laagdrempeligheid’ die verraad hoe ze over ouders denken. Eerst een worst voorhouden en vervolgens de duimschroeven aanzetten, maar vooral vriendelijk doen bij de ingang! Het is van de zotten dat deze benadering via wijkteams bedoeld was voor alle gezinnen in Nederland. Voor volstrekt normale ouders en gezonde zich goed ontwikkelende kinderen met misschien een opvoedingsvraag of een probleem op school. Dwangmaatregelen en privacyschending voor ouders die het beste voor hebben met hun kind, omdat de overheid maar geen greep krijgt op de groep van zwaar disfunctionele gezinnen die ondanks betrokkenheid van talloze hulpverleners maar niet bij te sturen zijn.

Geen waardigheid meer

Maar de overheid gaat gewoon door op deze weg ook al heeft het nergens het beoogde resultaat. Het is immers met het oog op de verkiezingen nog veel te vroeg om toe te geven dat de wijkteam-benadering één groot fiasco is geworden en dat ontwikkelde ouders de wijkteams uit de weg gaan zoals een persoon met een glas limonade een nest wespen. Op het grensgebied tussen vrijwillige en gedwongen hulp sta je als ouder permanent met één been in de rechtbank, dus je moet wel een volslagen idioot zijn om daar vrijwillig naar binnen te gaan. Dan blijft over de categorie waar het systeem op ingesteld is, ouders die nog van niets weten en er te laat achter komen. Is het zorgwekkend dat de privacy van ouders wordt geschonden? Het is eigenlijk helemaal niets om van te schrikken, want onze waardigheid als ouders is al een tijdje naar de kloten in dit pedagogische debiliseringssysteem.

Ik denk dat het in de praktijk met deze besluitvorming niet zo’n vaart zal lopen, want al heeft de overheid maling aan fatsoen en internationale verdragen als het over jeugdbescherming gaat, de meeste artsen zijn wél gehecht aan de vertrouwensrelatie met hun patiënten en ze geven er de voorkeur aan om alleen in geval van een ernstig vermoeden van mishandeling vanuit hun eigen deskundigheid als medicus aan de bel te trekken en niet omdat de mishandelingslobby van de Augeo Foundation(3) in hun nek staat te hijgen met de overheid als opgestookte medeplichtige. Voorlopig vertrouw ik mijn eigen huisarts, ondanks de belachelijke regelgeving waar deze mee wordt opgezadeld.(4)

Sven Snijer  




(2)….de Nijmeegse wethouder Bert Frings bij het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn aangegeven dat het maar eens over moet zijn met al die campagnes tegen kindermishandeling , omdat ze de capaciteiten niet hebben als gemeente om alle meldingen af te handelen en daardoor niet meer aan de acute gevallen toekomen. http://www.ad.nl/ad/nl/1012/Nederland/article/detail/4290098/2016/04/27/Stop-campagne-tegen-kindermishandeling.dhtml



donderdag 22 september 2016

Waarom de Wijkteams geen verbetering zijn



Uit de ‘Verslagen regionale bijeenkomsten Jeugdbescherming en Jeugdreclassering’ is gebleken dat er ‘stevige vooroordelen bestaan over Bureau Jeugdzorg’(1). Dat klopt, want er zijn nog steeds politici in Den Haag en bij de gemeenten die menen dat daar professionals werken. Professionals die je meer ruimte moet geven om te handelen naar hun eigen goeddunken. Weliswaar is bijna twee jaar na de start van de Transitie nog niets gerealiseerd in de jeugdzorg dat een duidelijk toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het oude systeem (men is nog steeds bezig ‘elkaar te vinden’ op Wijkteamniveau), maar het is veelbelovend (kuch!) dat er zoveel verbeterplannen worden geproduceerd, want die hebben we de afgelopen twintig jaar nog niet genoeg gezien. Jeugdzorg als eeuwig ‘lerende’ organisatie die zelf nooit onder toezicht wordt gesteld, afgezien van een tik op de vingers op zijn tijd door de Inspectie Jeugdzorg, waarna men gewoon verder gaat met het maken van dezelfde fouten.

De gecertificeerde instelling

Ik zal een klein geheimpje verklappen over jeugdzorg als ‘Gecertificeerde Instelling’ zoals ze is gaan heten sinds de Decentralisatie. De bedoeling was dat er in de zorg aan jeugdigen op wijkniveau preventief gewerkt zou worden in het sociale domein, met betrekking tot kind, gezin, de buurt en school. Er moest via de sociale wijkteams meer buurtcohesie gaan optreden, zodat mensen elkaar in de wijk beter zouden leren kennen en elkaar (en elkaars kinderen) beter in de gaten zouden houden, zodat er als vanzelf minder sociale ellende zou optreden waarbij jeugdzorg en kinderbescherming nodig zou zijn. Een door het wijkteam gecoördineerde ‘naastenliefde’ die de vereenzaming en het isolement van de moderne mens zou doorbreken, zodat dure (gedwongen) hulp van Bureau Jeugdzorg of jeugd-ggz minder vaak nodig zou zijn. Het liefst zelfs overbodig worden gemaakt, want dat is het goedkoopste voor de gemeente.

Voorwaarde daarvoor was wel dat er twee dingen moesten gebeuren: De toegang van jeugdigen tot de jeugdhulp moest voor een belangrijk deel geschieden via de Wijkteams/CJG’s en de jeugdhulp moest minder dwingend (afschrikwekkend) worden en meer inspraak inhouden voor ouders en kinderen samen met hun eigen netwerk. Zo niet, dan zouden de ouders de wijkteams gaan mijden en kon er niet aan preventie en kostenbesparing worden gedaan. Vandaar dat bij de start van de Decentralisatie vooral werd gesproken over laagdrempelige hulp (om iedereen naar binnen te lokken) en pas anderhalf jaar later werd aangegeven dat er meer werk moest worden gemaakt van het ‘opschalen’ het doorschakelen naar gedwongen maatregelen. Het punt met meer of sneller opschalen, is dat het onmiddellijk de beoogde laagdrempeligheid onder druk zet, want het duurt niet lang voordat ouders door hebben dat er bij de Wijkteams hetzelfde gebeurt als bij de oude Bureaus Jeugdzorg. Toch blijven zowel de landelijke als de lokale overheid geloven dat de jeugdhulp bij de gemeenten vriendelijker kan. Waar is dat eigenlijk op gebaseerd?

Minder gedwongen maatregelen  

Het toverwoord voorafgaand aan de Transitie was marktwerking. Bij de gemeenten zou de jeugdhulp vriendelijker worden, omdat de hulp niet alleen beter gecoördineerd zou worden (één plan, één gezin, één regisseur) en de ouders meer betrokken zouden worden bij hun eigen hulpverleningstraject, maar ook in geval van gedwongen maatregelen zou de dwanghulp minder lang duren en niet zo snel hoeven te escaleren tot het niveau ‘uithuisplaatsing’.(2) Het idee was dat er naast Bureau Jeugdzorg meerdere gecertificeerde instellingen zouden komen als elkaars concurrent, zodat de gemeenten iets te kiezen hadden. In theorie zouden ze de meest vriendelijke en efficiënte gecertificeerde instelling contracteren, maar in de praktijk is er niet één nieuwe Gecertificeerde Instelling bijgekomen, want het is nog steeds Bureau Jeugdzorg onder een nieuwe naam die de gezinsvoogdij regelt. En aangezien er voor de gemeenten dus niets valt te kiezen, hoeft Bureau Jeugdzorg haar werkwijze ook niet te veranderen.

En dat merken we, want op Wijkteamniveau komt de onwelriekende jeugdzorglucht ons van verre tegemoet en de onhandigheid van de Wijkteams geeft jeugdzorg al meteen teveel macht. Er zijn Wijkteams die moeten bellen met Veilig Thuis (vroegere AMK, ook jeugdzorg!) om te vragen wat ze moeten doen…Dat geeft vast bijzonder veel vertrouwen bij de cliënt. Er is bij de Wijkteams net zo weinig deskundigheid als bij Bureau Jeugdzorg, die altijd liever de ggz-specialist buiten de deur hield en graag zelf speculeerde over kind en ouders, zodat het geitenwollensokkengehalte ook nu weer leidt tot zowel de handelingsverlegenheid die kan leiden tot gezinsdrama’s als tot de overbekende moerashulpverlening waar de cliënt langzaam in vastgezogen wordt. In eerdere artikelen heb ik verteld dat het merkwaardig is dat de ondertoezichtstellingen in Nederland die sinds de zaak Savanna in 2004 alleen maar gestegen waren, vlak voor de Decentralisatie plots naar beneden gingen. De reden hiervoor was zuiver politiek, al deed men het bij jeugdzorg voorkomen alsof het te maken had met meer deskundigheid.

Bij Bureau Jeugdzorg werd (onterecht) gevreesd dat ze binnen ‘no time’ door nieuwe gecertificeerde instellingen weggeconcurreerd zouden worden, dus deden ze hun uiterste best om hun allervriendelijkste gezicht op te zetten naar de gemeenten. Maar in Amsterdam was voormalig jeugdzorgbestuurder Erik Gerritsen er niet gerust op (ook vanwege mogelijk kennis- en ervaringsverlies) en daarom regelde hij al vóór de Transitie een drie-jarig contract voor zijn Bureau Jeugdzorg, zodat zijn organisatie voor drie jaar van werk verzekerd was. Daar ging dus in één klap de concurrentiemogelijkheid voor andere gecertificeerde instellingen voor drie jaar de koelkast in bij één van de grootste jeugdzorgregio’s in Nederland.

Problemen met het 'opschalen'

Wat we nu landelijk waarnemen is dat er bij gemeentelijke regie in jeugdzorgzaken te laat ingegrepen wordt in gezinnen waar de problemen voor het kind wel ernstig zijn.(3) Dit is niets nieuws, want bij elke zogenaamde transformatie van de jeugdzorg probeert men het eerst vriendelijk en later wordt men dan geconfronteerd met de gruwelijke feiten van gezinsdrama’s. Pas dan heeft men een excuus om harder en sneller op te treden. Helaas heeft deze verharding niets van doen met gezinnen waar het gevaar van een gezinsdrama niet aanwezig is, maar als gevolg van het falen van jeugdbeschermers in spraakmakende casussen met fatale afloop worden ze opeens aan dezelfde rigide mentaliteit onderworpen. Zo ging het en zo gaat het nog steeds. Je kunt een gebrek aan professionaliteit nu eenmaal niet anders organiseren, want het materiaal blijft hetzelfde.

Ik zal een paar voorbeelden geven van de ondeskundigheid van jeugdzorg om te laten zien waar de spagaat vandaan komt waar ze permanent inzitten bij wél of niet ingrijpen in een gezin. Bij de zogenaamde gezinsdrama’s die de krant halen is het nooit een kwestie van onbekend zijn met het gevaar voor het kind. Ze weten in de meeste gevallen dat ouder(s) te maken hebben met verslavingsproblematiek of ernstige psychische instabiliteit, maar wanen zich voldoende bekwaam om het te monitoren. Als het dan toch mis gaat en het kind een paar maanden later dood is vragen ze zich af hoe dat toch kon, omdat ze wel ‘alle protocollen gevolgd hebben’. Want daar draait het allemaal om bij een juridiserende hulpverlener, de vraag of alles juridisch goed afgedekt is en of de aansprakelijkheid in alle gevallen van de hand gewezen kan worden. Wat dat betreft is het een zegen voor Bureau Jeugdzorg dat in de regel een tiental instanties zich bemoeit met één gezin, want dan heeft niemand de gehele schuld van het drama.

Professionaliteit van jeugdzorg?

Onder een zeer lezenswaardig artikel in de Volkskrant over de zaak Sharleyne werden een paar commentaren geplaatst door een zekere Luctor waarmee goed duidelijk werd waar het werkelijk aan schort bij jeugdzorg. Ik zal twee stukken citeren, waarbij als eerste zijn glasheldere inzicht ten aanzien van gedwongen maatregelen:

“Wanneer sprake is van ernstige verslaving bij één of beide ouders en/of criminaliteit en/of een serieuze psychiatrische problematiek dan altijd uithuisplaatsing. Dat zijn de hopeloze gevallen waarbij ingrijpen de enige optie is om te proberen er voor de kinderen nog wat van te maken.”

Een ander gedeelte geeft inzicht in de zo vaak door henzelf genoemde professionaliteit van Bureau Jeugdzorg (nu de Wijkteams):

“Is het de hulpeloosheid van de hulpverleners, of de on-professionaliteit? Als stagiair heb ik het functioneren van de jeugdzorg een jaar lang van dichtbij kunnen observeren. Ik zag een totaal gebrek aan kennis op allerlei gebied: psychologie en psychopathologie, pedagogiek en orthopedagogiek. Zogenaamde gezinsmanagers die een onbenul aan de dag legden dat ik zelden eerder zag. De ouders niet begeleidden zoals dat zou moeten, onzinnige of onmogelijke eisen stelden en tegelijk zelf zo min mogelijk uitvoerden. Nauwelijks in het gezin zelf kwamen, geen idee hadden van de dagelijkse situatie.”

Wie denkt dat deze beschuldigingen richting jeugdzorg gechargeerd zijn zou eens voorlichtingsmateriaal moeten bekijken waar Bureau Jeugdzorg zelf mee heeft ingestemd of aan meegewerkt. Ze schamen zich er niet voor te laten zien hoe ze een alcoholische of psychiatrische moeder herkansing na herkansing geven, totdat het met het kind (bijna) fataal afloopt en er tenslotte toch een uithuisplaatsing moet komen. Ze denken oprecht dat ze er dan ‘alles aan gedaan’ hebben, zich niet realiserend dat er bij andere gezinnen met veel minder ernstige problematiek uithuisplaatsingen worden aangevraagd bij de eerste aanwijzing dat ouders ‘niet meewerken’ naar de zin van de jeugdbeschermer. Wat telt bij Bureau Jeugdzorg is namelijk niet of je een capabele of leerbare ouder bent, maar een gehoorzame ouder. Daarom krijgen de kneusjes die zich laten leiden door de gezinsvoogd ook iedere keer opnieuw de kans, want die passen in het protocol. Volgens het protocol gaan kinderen bijgevolg eerder dood, want ook al is het gevaar voor het kind reëel, de ouders lijken mee te werken. 

Hoe staat de pet van de hulpverlener?

Bureau Jeugdzorg heeft als protocollair hulpverleningsbedrijf een algemene attitude en methode die naar alle cliënten wordt uitgedragen. Is de mores meer preventiegericht, dan wordt iedereen met een opvoedingsvraag als een crimineel behandeld en is het adagium ‘eigen kracht’ dan mogen volstrekt incapabele ouders aanklooien zoveel ze willen zolang er maar een gezinsvoogd of casemanager een soort van regie heeft. Niet onbelangrijk bij het bespreken van de ‘professionaliteit’ van Bureau Jeugdzorg is de gemiddelde leeftijd van de jeugdbeschermers. Het zijn vaak jonge vrouwen die net van de SPH-opleiding komen, die denken dat ze gaan hulpverlenen, maar er in de praktijk achterkomen dat sommige cliënten niet kunnen of niet willen. Dat is de makkelijkste categorie want daarom ben je hulpverlener, om erachter te komen hoever je kunt gaan met mensen die niet kunnen en niet willen! Een groter probleem voor de jeugdbeschermer vormen de intelligente en/of mondige ouders, want die zijn een onmiddellijke bedreiging voor het professionele zelfbeeld van de vaak veel te jonge hulpverlener. Dat escaleert dan op grond van het defensieve gedrag van de professional die teveel macht heeft. Een praktijkvoorbeeld van een half jaar geleden in Amsterdam bij JBRA laat zien hoe moeilijk dit probleem te tackelen is.

Mijn vrouw was in gesprek met Jeugdbescherming Regio Amsterdam over onze casus van zes jaar terug, met de bedoeling om nog eenmaal het geleden onrecht uit te spreken in de hoop dat de casus de jeugdzorgwerkers inzicht kon geven in hoe het niet moet. Gelukkig waren wij er zonder beschermingsmaatregelen vanaf gekomen, maar met de nasleep van onze zaak in verschillende domeinen van school, AMK, zedenpolitie, gemeente, etc, duurde het alles bij elkaar zeker vier jaar voordat wij een soort afsluiting hadden voor onszelf, ondanks dat nooit zwart op wit is toegegeven hoe er geblunderd was door de gezamenlijke instanties. Ondanks dat het gezin waar de werkelijke oorzaak lag van alle problemen nooit door een jeugdbeschermende instantie is onderzocht, voornamelijk omdat het systeem zo krom is opgezet (de melder heeft altijd immuniteit). De sfeer van de gesprekken was goed en mijn vrouw leek op een goede frequentie te zitten met de directie Bureau Jeugdzorg vanuit een neutrale positie buiten enige gevarenzone.

Goede voornemens niet voldoende

In de wachtruimte van JBRA kreeg zij echter indirect weer te maken met dezelfde jeugdzorgmentaliteit die ze zo goed kende, want een radeloze man sprak haar aan of zij hem misschien advies kon geven bij zijn eigen casus. Hij voelde zich onheus bejegend/vals beschuldigd en had die typische verbijstering die veel mensen kenmerkt die voor het eerst in hun leven met het jeugdzorgsysteem in aanraking komen. Voordat mijn vrouw kon antwoorden was daar al de gezinsvoogd die aan de man was toegewezen. De man was erg emotioneel en vond het ongehoord dat hij zomaar op speculatieve basis beschuldigd werd van zaken die naar zijn idee niet aan de orde waren. Tegen de gezinsvoogd zei hij:’Met jou praat ik niet.’ De gezinsvoogd pareerde hem onmiddellijk door hem bits toe te werpen ‘U zult het met mij moeten doen!’ Haar lichaamshouding was afstandelijk, niet invoelend en de man uitte meer kritiek op jeugdzorg. Uiteindelijk ging hij toch maar mee met de gezinsvoogd en haar collega, de lange gang in van het kantoor op de Overschiestraat.  

Mijn vrouw bestempelde de communicatievaardigheden van de gezinsvoogd als agressief en onprofessioneel, omdat de man duidelijk vol zat met verdriet en ongeloof, maar daar was geen enkele ruimte voor. Ze vertelde over het voorval aan de directrice van JBRA tijdens het daarop volgende gesprek, waarbij er door hen met verbazing werd gereageerd en verteld dat de jeugdbeschermers juist op dit soort zaken werden getraind, op een betere communicatie met de cliënt. Maar zoals eerder aangegeven, een relatie binnen het juridische kader of onder dreiging van gedwongen maatregelen kent geen enkele gelijkwaardigheid. Ondanks goede bedoelingen van de hulpverleners ben je in deze tak van sport als ouder aan de heidenen overgeleverd, want er is maar één partij die de ander juridisch onder druk kan zetten en dat is Bureau Jeugdzorg. De discussie over vrijwillige of onvrijwillige hulp, drang of dwang, laagdrempelige hulp of preventieve maatregelen, zal nog lang in een spagaat blijven hangen, want je kunt nu eenmaal niet tegelijk de advocaat en de officier van justitie spelen. Als er niet wordt gekozen voor meer kwaliteit en professionaliteit, zoals ‘zwaargewichten’ in de toegangspoort tot de jeugdzorg, blijven we gevangen in een eeuwig dualisme met eindeloze beloften voor verbetering.

Sven Snijer



(2) Jeugdhulp: te veel regie, te weinig verbinding


”Problematiek waarmee rechters te maken krijgen lijkt erger te worden dan vroeger het geval was. Rechters zien jongere kinderen en heftigere problematiek voorbijkomen. De reden hiervoor is niet altijd duidelijk, maar in sommige gevallen duurt het te lang voordat er ingegrepen wordt.”

woensdag 21 september 2016

Het gevaar van ‘Bureau Wijkteam’



Het wezenlijke probleem in de jeugdbescherming is niet gelegen in de terminologie die gebruikt wordt.(1) Het heeft meer te maken met de bejegening van cliënten, de mate van deskundigheid, stressbestendigheid en het zelfvertrouwen van de jeugdzorgwerker (en vooral het gebrek daaraan). Dit was de voornaamste klacht van ouders voor de Decentralisatie en dat is het nog steeds.  

Iedere hulpverlener droomt van cliënten die alle hulp dankbaar aannemen en naar elk goed advies luisteren, maar zo zit de praktijk niet in elkaar. De realiteit van jeugdhulp in verbinding met kinderbeschermingsmaatregelen (Bureau Jeugdzorg) is dat er vrij gemakkelijk een punt wordt bereikt in het traject waar de hulpverlener begint na te denken over gedwongen maatregelen, simpelweg omdat er een juridische stok achter de deur staat. Het is te gemakkelijk voor de jeugdbeschermer om er bij een meningsverschil met de cliënt mee te dreigen, onder het mom van 'ouders hebben geen inzicht’ en zijn ‘hulpweigeraars’. 

Het vertrouwen tussen hulpverlener en cliënt wordt ondergraven door de juridische adder onder het gras die in gewone hulpverlening (psycholoog, therapeut) geen rol speelt. De overheid heeft de Bureaus Jeugdzorg en nu de Wijkteams met een tegenstrijdige taakstelling opgezadeld; aardig gevonden willen worden (Eigen Kracht/Eigen regie) en streng zijn (preventietaak) en je kunt nu eenmaal niet tegelijk linksaf en rechtsaf slaan.

Engageren en positioneren

Ook de volgorde van 'engageren en positioneren' zoals genoemd in het artikel 'Stop met de term drang' is niet meer dan een goedbedoelde intentie en geen dagelijkse praktijk. 'Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen' en het zwaarst weegt altijd de (potentieel) juridische dreiging of die nu genoemd wordt of niet. Men spreekt van gedwongen hulp, drang, 'tough love', opschalen, escaleren, niet-langer-vrijblijvend, doorsturen naar de Raad, maar het is één pot nat. Iedereen die tegenover een jeugdbeschermer zit voelt al snel aan niet met een normale hulpverlener te maken te hebben, maar met iemand die een doorschakeling kan regelen naar Justitie.

De jeugdbeschermer kan vriendelijk doen zoveel hij/zij wil, maar vrijwillige hulp bij jeugdzorg/Wijkteam bestaat eigenlijk niet. Er is altijd een potentieel escalatiegevaar. Niet voor niets sprak men een paar jaar vóór de Decentralisatie nog met overtuiging van doorzettingsmacht voor de generalist van het Wijkteam, maar na waarschuwingen van organisaties die kritisch zijn over jeugdzorg helemaal niet meer. Er werd vlak voor 1 januari 2015 in Amsterdam alleen nog gesproken over ‘laagdrempeligheid’ en ‘vrijblijvende’ informatieverstrekking aan ouders met opvoedingsprobleempjes. De hond had geblaft, maar durfde opeens niet meer te bijten.

Bijna twee jaar later zien we in de media berichten dat er in de meeste steden problemen zijn met het ‘opschalen’. Niet verwonderlijk, want ze willen niet het oude jeugdzorgimago van ‘kinderdief’ overnemen. De gemeenten zouden het allemaal veel vriendelijker doen. Helaas, door de nadruk op laagdrempeligheid en ‘eigen regie’ komt nu de preventie in gevaar en dreigen er weer meer gezinsdrama’s te ontstaan. De burgemeester van de gemeente Hoogeveen, waar het meisje Sharleyne (2) om het leven kwam ondanks betrokkenheid van acht hulpverlenende instanties,  sluit niet uit dat er voortaan toch vroeger ingegrepen zal worden in gezinnen, wat weer een stijging zal geven in de uithuisplaatsings-cijfers die nu net naar beneden waren gegaan. We herkennen hier het oude probleem van Bureau Jeugdzorg van te vroeg én te laat ingrijpen en allebei zonder een duidelijke rationaliteit ter onderbouwing van het één of het ander.

De 'wurgcontracten'

Gezinsdrama’s en onterechte uithuisplaatsingen, er verandert in het nieuwe systeem niets. Het lijkt er zelfs op dat veel gemeenten alle fouten van Bureau Jeugdzorg van de afgelopen twintig jaar op Wijkteamniveau nog eens overdoen. Er zijn nu Wijkteams die in vrijwillig kader ouders contracten laten tekenen onder dwang (‘Anders kunnen wij geen hulp voor u regelen’) waarbij ouders de gehele regie overdragen aan het Wijkteam. Het woord ‘drang’ wordt niet eens genoemd. Mensen weten bij God niet waar ze voor tekenen, maar hun hele privéleven wordt overhoop gehaald en er ontstaat een dik dossier dat geen zier te maken heeft met de oorspronkelijke (eenvoudige) hulpvraag. Het kind staat niet centraal, maar het veronderstelde sociale disfunctioneren van het hele gezin. Weigering zich aan dit soort ‘vrijwillige’ hulp te onderwerpen betekent doorsturen van het dossier naar de Raad voor de Kinderbescherming.

Ik geloof dat de term ‘Drang en Dwang’ is ingevoerd om meer dwang te bewerkstelligen zonder een officiële ondertoezichtstelling door de rechter, zodat de cijfers voor gedwongen hulp kunstmatig laag kunnen blijven en wel het doel wordt bereikt van een (sociale) ondertoezichtstelling. Niemand kan daarbij controleren of er ook echt sprake is van een kind-bedreigende situatie, want er kijkt geen rechter mee.(3) Het woord ‘chantage’ was daarom meer van toepassing geweest. Bij een 'drangmentaliteit’ -zelfs met de beste bedoelingen- kan er per definitie van gelijkwaardigheid geen sprake zijn in de relatie met de cliënt. Want wie bepaalt of de cliënt voor vol moet worden aangezien? Die macht ligt uiteindelijk altijd bij het Wijkteam en net als bij het oude Bureau Jeugdzorg kan de hulpvraag door de jeugdbeschermer getransformeerd worden in een risico-analyse. Een lastige (mondige, intelligente) ouder is dan opeens een ‘gevaar’ voor het kind. En zo zijn we terug bij af.

Geen duidelijk onderscheid

Zolang we in onze Nederlandse jeugdhulpverlening geen duidelijk onderscheid kunnen maken tussen de echte hulpweigeraars die hun kind ernstig in gevaar brengen en de ouders die een ander idee hebben dan de jeugdbeschermer over welke hulp voor hun kind van toepassing is, zal de scheidslijn tussen vrijwillige hulp en het gedwongen kader even vaag blijven als voorheen en zal niemand jeugdzorg of het Wijkteam echt kunnen vertrouwen. Wat ooit bedoeld was als een soepele verbinding tussen vrijwillige hulp en gedwongen hulp om meer aan preventie te kunnen doen, heeft juist voor verantwoordelijke ouders onnodig veel risico gebracht, terwijl de echt onbekwame ouders in dit systeem nog steeds niet sneller in beeld komen, maar nog altijd in ruime meerderheid door de politie worden aangemeld.

En door de onbekwaamheid van veel hulpverleners lopen ook de kinderen die wel onder toezicht staan nog steeds veel risico, want de eigenzinnigheid van de jeugdbeschermers leidt niet alleen tot onnodig ingrijpen in gezinnen waar geen wezenlijk gevaar dreigt voor het kind, maar men houdt zich ook doof voor waarschuwingen van de buitenwacht waar het gevaar voor het kind reëel is. Geen mens die uit ervaring spreekt over jeugdzorg kan begrijpen waarom één van de belangrijkste intenties van de overheid bij de Transitie was om de jeugdbeschermers ‘meer vertrouwen te geven’ want tot nu toe is uit niets gebleken dat ze dat vertrouwen waard zijn. Jeugdzorg is ook bij de Wijkteams een juridische fuik en het is ronduit krankzinnig dat in sommige gemeentes de Raadsmedewerker (RvdK) al aanschuift aan de beschermingstafel om te bepalen of er opgeschaald moet worden. Het opschalen is juist het inschakelen van de Raad, dus hier adviseert de Raad om op te schalen naar zichzelf!

Jeugdzorgmentaliteit

Meer professionaliteit in de jeugdzorg, we wachten er nog steeds op. In de Wijkteams vinden we niet alleen dezelfde rigide mentaliteit van Bureau Jeugdzorg, maar ook haar beschamende ondeskundigheid in gevallen waar het probleem er niet duimendik bovenop ligt. Dezelfde handelingsverlegenheid,  slechte afstemming met andere hulpverleners, tunnelvisie, speculeren, het makkelijkste slachtoffer kiezen (alleenstaande moeder), honderdtachtig graden draaien in bejegening, dreigend taalgebruik, niet kunnen omgaan met weerstand, eigenzinnigheid, slecht communiceren, liegen en misleiden, geen verstand van kindeigen problematiek, etc. Het is nog een geluk dat veel artsen niet naar de Wijkteams doorverwijzen omdat zij dezelfde mening zijn toegedaan.

Tot de dag dat ik als ‘cliënt’ een Wijkteam binnen kan gaan met de absolute zekerheid dat ik niet per abuis voor een hulpweigerende ouder wordt aangezien met problemen in de gezinssituatie (omdat ik zelf kan nadenken) zullen alle mooie beloften over vriendelijke hulp gebakken lucht zijn. Het levensgrote gevaar van misvorming van de hulpvraag door de sociaal-pedagogische bril van de hulpverlener die tegelijkertijd ook jeugdbeschermer moet zijn is een risico dat geen zinnig mens wil nemen. Ik begrijp ook niet waar jeugdbeschermers en overheid zo moeilijk over doen. Het verschil tussen probleemgezinnen en normale gezinnen is niet zo moeilijk, want het sleutelwoord is ‘politie’. Wie zelf hulp zoekt voor zijn kind zonder een dramatische gezinssituatie zou nooit gecriminaliseerd mogen worden. Maar de overheid heeft bij wet alle gezinnen in Nederland gecriminaliseerd door de prioriteit te leggen bij preventie (om geld te besparen op jeugdzorg en jeugd-ggz) zodat de eerste focus van het Wijkteam ligt bij het mogelijk disfunctionele gezin en niet bij een eenvoudige hulpvraag.

Sven Snijer  
  




'De rechter vindt wel dat de beslissing van het Jeugdbeschermingsplein ondoorzichtig is en eigenlijk ook niet behoorlijk is, omdat ouders onvoldoende worden betrokken bij de besluitvorming over welk traject van jeugdhulp dan noodzakelijk zou zijn en of de zorgen eigenlijk wel terecht zijn.'