dinsdag 25 juli 2017

De gevaren voor de democratie


De eerste ontluistering voor het Westen over het ideaal van ‘vrijheid en democratie’ voor de rest van de wereld was de bloedig neergeslagen opstand in China op het plein van de Hemelse vrede op 4 juni 1989. Daar werd voor het eerst zichtbaar dat een groeiende economie als gevolg van het openstellen van de Chinese markt voor kapitalistische waarden niet gelijk stond aan het verkrijgen van persoonlijke vrijheid voor alle chinezen. Het communistische regime is er de afgelopen decennia in geslaagd om ondanks de indrukwekkende economische groei van het land stevig in het zadel te blijven en mensenrechtenschendingen in China zijn nog steeds aan de orde van de dag. Het is zelfs zo erg dat vorig jaar nog een documentaire op Aljazeera werd uitgezonden over naar het buitenland gevluchte Chinese dissidenten die door de Chinese overheid in het geheim worden ontvoerd om te verdwijnen in Chinese gevangenissen.(1) 

Geen overhaaste hervormingen

Ook Rusland dat bevrijd werd van het communisme uit de tijd van de Koude Oorlog werd niet de vrije democratie waar westerse analisten op hadden gerekend toen het Warschaupact uiteenviel als gevolg van de Perestrojka-politiek van Gorbatsjov. De oud-leider van Rusland waarschuwde dat de hervormingen in zijn land niet overhaast moesten worden doorgevoerd, maar weinig mensen in binnen- en buitenland deelden die visie. Iedereen was enthousiast dat nu eindelijk het Oostblok dezelfde vrijheid zou gaan genieten als het westen en het kapitalistische systeem als fundering voor westerse waarden in het algemeen zou als vanzelf andere culturen gaan hervormen. Er bestond lange tijd een heilig geloof in de marktwerking als cultuurdrager en cultuurhervormer naar westers model. Tegenwoordig zitten we echter met Poetin die als een dictatoriale figuur zijn eigen bevolking hersenspoelt met een volledige mediabeheersing en opzet tegen het westen. Met actieve steun van Rusland en met Russische vliegtuigen worden door de Syrische leider Assad continu burgerdoelen aangevallen en het westen staat er met open mond van verbazing naar te kijken. 

Islamisme niet marginaal  

Bondgenootschappen met landen in het Midden-Oosten hadden lange tijd de stilzwijgende aanname dat westerse waarden als gevolg van de economische verbintenissen uiteindelijk zouden leiden tot verwestering van het Midden-Oosten en de emancipatie van de burgers aldaar. De opkomst van het islamitisch fundamentalisme werd lange tijd genegeerd als een marginaal verschijnsel dat met in het westen gekochte wapens door de seculiere leiders onder controle kon worden gehouden. Het algemene idee was dat de meeste mensen op aarde naar vrijheid en democratie verlangden in het verlengde van betere levensomstandigheden. Weinigen leken zich te realiseren dat in regio’s waar de algemene ontwikkeling van de bevolking niet bijzonder hoog is -uitgezonderd een op het westen georiënteerde elite- de kans op verwestering over de hele maatschappelijke breedte bijzonder klein moet worden geacht. Mensen die geen hoger of universitair onderwijs hebben genoten zullen zich niet snel laten leiden door westerse waarden, omdat de voorwaarden daarvoor alleen gecreëerd kunnen worden door op westerse waarden gestoelde onderwijssystemen en het madrassa-onderwijs in veel moslimlanden van basisschoolniveau geeft geen affiniteit met onze manier van denken.

Nationalisme, etniciteit en religie

Wereldwijd zien we in verschillende culturen ontwikkelingen die aantonen dat men niet primair is gericht op het verkrijgen van meer democratie en mensenrechten of een beter functionerende rechtstaat. In plaats daarvan worden nationalistische waarden aangehangen, religieuze waarden, regionale, culturele en etnische waarden en boven alles een separatistische neiging die het door de financiële markten opgedrongen internationalisme moet tegengaan. Een internationalisme die verondersteld dat de hele wereld geleidelijk, maar onvermijdelijk zich beweegt in de richting van een ‘global village’ die zich eerst economisch zal manifesteren en in een latere fase als een interculturele gemeenschap op wereldniveau. We moeten niet vergeten dat de zogenaamde Europese eenheid voornamelijk een financiële betekenis heeft en dat de Brexit kort geleden vooral werd betreurd in termen van financiële verliezen die de EU-landen en het Verenigd Koninkrijk er mogelijk van zouden ondervinden. Een culturele of politieke eenheid is Europa allerminst en van een gezamenlijk leger is al helemaal geen sprake, noch op productieniveau, noch op het terrein van gezamenlijke inzet van strijdkrachten. Nederland koopt nog steeds Amerikaanse straaljagers en passeert daarmee drie Europese straaljagerfabrikanten.

Afkeer van Brussel

De schijn van Europese eensgezindheid die men krampachtig probeert uit te stralen vanuit Brussel om de problemen die alleen gezamenlijk zijn op te lossen geloofwaardig aan te pakken (vluchtelingencrisis) lijkt enkel te bestaan als zij wordt opgedrongen door een crisis en niet door een intrinsiek verlangen tot eenwording bij de verschillende Europese volkeren. Ook de Europese landen voelen zich in toenemende mate inwoner van hun eigen land en niet Europeaan als het om hun identiteit gaat. Alleen voor hoger opgeleide mensen die makkelijk een studie of baan in het buitenland in de wacht kunnen slepen heeft Europa betekenis en voor zakenmensen die op de internationale markt opereren. Gewone burgers ervaren helemaal geen Europese identiteit. Eén van de grootste bezwaren die critici van de Europese eenwording hebben is dat Brussel zeer weinig democratisch gehalte heeft. Er wordt voornamelijk over de hoofden van de lidstaten heen besloten en dientengevolge voelen veel Europese inwoners zich door Brussel eerder bedreigd dan uitgenodigd. Het is dan ook begrijpelijk dat hoog ontwikkelde landen in Europa samen met de VS er niet in slagen om de democratie te exporteren naar de rest van de wereld als de inwoners ervan er zelf al zo’n grote afkeer van hebben, omdat ze er niet meer in geloven.

Amerikaanse verkiezingen

De laatste Amerikaanse verkiezingsstrijd die wordt beschouwd als de meest cynische uit haar hele geschiedenis heeft laten zien dat de burgers zowel afkeer hebben van bureaucratie en elitair bewustzijn van politici in dienst van de multinationals als van politici die een zuiver nationalistische benadering kiezen zonder te erkennen dat in de moderne wereld een defensieve houding naar andere naties en volkeren eigenlijk geen reële optie meer is. Tegelijkertijd realiseren steeds meer mensen zich dat een vrije wereldhandel helemaal geen oplossing zal bieden voor de diepe verdeeldheid die er bestaat tussen landen en volkeren, rassen, religies en nationale identiteiten. Het multiculturalisme is in die zin failliet, dat de grenzen tussen mensen niet zomaar zullen verdwijnen op basis van een niet nader gedefinieerd internationalisme dat verwacht dat culturele tegenstellingen zomaar zullen verdwijnen of uitsluitend verrijkend zullen werken als randversiering. We zien nu dat religieuze, culturele en nationalistische barrières het proces van internationalisering dwingen pas op de plaats te maken en op zoek te gaan naar een nieuwe gezamenlijke grond die meer is dan gedeelde financiële belangen (vooral omdat dit vaak niet meer betreft dan de belangen van de rijke bovenlaag, met name in ontwikkelingslanden).

Vrijheid als bedreiging van traditie

Het grootste probleem bij het verspreiden van ‘vrijheid en democratie’ is dat veel volkeren in ontwikkelingslanden bij vrijheid geen positieve associatie hebben. Ze verstaan dit in politieke zin als wispelturigheid en wisselende loyaliteiten in internationale betrekkingen die zich vooral laten leiden door economische, politieke en militaire belangen. Vooral ‘leading nation’ Amerika wil nogal eens wisselen van bondgenootschap als het haar strategisch of economisch uitkomt. In religieuze zin verstaat dat deel van de wereld dat geen seksuele revolutie heeft gekend zoals het Westen de vrijheid in de eerste plaats als losbandigheid. Losgeslagen zeden en gewoonten, met als gevolg maatschappelijke instabiliteit en verlies van culturele en religieuze identiteit. Verlies van traditionele gezagsverhoudingen en verlies van status voor de man in een patriarchaal georiënteerde samenleving. Bovendien associëren dictatoriale seculiere leiders ‘vrijheid’ met anarchie en het omverwerpen van hun bewind door te mondige burgers, wat de reden is dat zij wel mondjesmaat hervormingen en moderniteit willen maar zeker niet voor iedereen.

Vrijheid bij de oude Grieken

In het oude Griekenland was de democratie een belangrijk deel van de identiteit van de burgers. Zij waren er trots op en namen er met veel enthousiasme aan deel in de wetenschap dat zij boven alle andere volkeren een vrijheid en directe inspraak genoten in het politieke systeem die ongekend was in de toenmalige wereld. Zij keken neer op al die landen die geregeerd werden door potentaten, hoewel er ook slachtoffers waren van de democratie (‘schervengericht’) die soms hun toevlucht namen naar een autoritair bestuurd buurland. Hun kennis en ervaring in bestuurlijke zaken werd in die landen vaak hoog gewaardeerd. Hoewel de vroege democratie in Griekenland veel mankementen kende en er ook vooraanstaande filosofen waren die er bedenkingen bij hadden om gewone burgers stemrecht te geven, werden er om het democratisch ideaal te versterken veel inspanningen gedaan om mensen te cultiveren, zodat zij met meer kennis en vaardigheden aan het politieke proces konden deelnemen. De algemene overtuiging bij zowel voor- als tegenstanders van de democratie was dat zij het beste functioneerde met een zo groot mogelijk aantal goed opgeleide en actief deelnemende burgers. Als we in de wereld om ons heen kijken zien we dat aan die voorwaarde in veel landen niet wordt voldaan en dat ook in ons eigen politieke systeem met moeite aan die voorwaarden tegemoet wordt gekomen. Veel mensen in de westerse wereld zijn goed opgeleid, maar ze ervaren door de schaalvergroting (miljoenen burgers nu, tegenover duizenden inwoners in de vroegere Griekse stadstaten) weinig direct contact met het politieke systeem. Dit onpersoonlijke karakter van de politiek lijkt moeilijk te overwinnen, maar toch zijn de aantallen misschien niet eens het echte probleem.

Geloofwaardigheid van de politiek

Een groter probleem voor de geloofwaardigheid van de politiek en vooral de internationale politiek is niet de ontoegankelijkheid van het politieke systeem of de afstand die mensen ervaren van hun woonplaats tot Den Haag, Brussel of Washington, maar het gevoel dat de grootste belangen van een kleine en machtige elite altijd voorrang zullen krijgen boven de wil van het volk. De afstand tot de politiek is vooral een gevoel van zinloosheid en machteloosheid dat de grootste belangen onder willekeurig welke regering toch het zwaarst zullen wegen. Wie Hillary of Trump als president krijgt valt hoe dan ook onder de hegemonie van de allerrijkste families van Amerika die de buit toch wel zullen verdelen, met een democratische, republikeinse of onafhankelijke kandidaat. Democratie kan alleen functioneren als zij een groot aantal betrokken burgers heeft in het politieke systeem en die betrokkenheid houdt verband met de reële macht die door burgers kan worden uitgeoefend.

Het Oekraïne referendum

Hoewel het referendum dat werd gehouden in ons land over het handelsverdrag met Oekraïne misschien geen echte overwinning was voor de democratie (er zijn ook goede argumenten te bedenken tegen referenda) gaf het veel mensen wel een lekker gevoel in de onderbuik dat die arrogante kliek in Brussel een gevoelige tik had gekregen als gevolg van het burgerinitiatief. Het ‘democratische gevoel’ was hier waarschijnlijk sterker dan het democratische effect, maar dat was ook precies waar het de deelnemers om ging. Het gevoel dat je democratie beoefent en niet slechts ritueel een hokje rood kleurt omdat andere mensen het onbehoorlijk vinden dat je als teleurgestelde burger je van het hele proces wil afkeren. De vraag die in toenemende mate van belang is voor onze democratische integriteit is of we bestuurd worden door politici die het volk vertegenwoordigen in het parlement of dat we van de door ons gekozen parlementariërs en ministers een realiteit krijgen voorgeschoteld over wat internationaal en financieel onvermijdelijk is in de ‘internationale wereld van vandaag’, want het lijkt vooral die geldwereld met haar internationale dictatuur te zijn die onze directe politieke betrokkenheid als burgers om zeep helpt.

Amerika - Democratie of oligarchie?

In 2014 verscheen in de New Yorker een artikel met de provocerende titel ‘Is Amerika een oligarchie?’(2) waarin een onderzoek besproken werd dat de vraag stelde in hoeverre Amerika nog een democratie te noemen is als het grootste deel van de Amerikaanse middenklasse en onderklasse nagenoeg geen invloed uitoefent op de politieke besluitvorming, maar de belangen van een kleine groep van allerrijkste personen en organisaties bij de meeste besluiten de doorslag geven. Hoewel het onderzoek enige nuancering kent (ook van de onderzoekers zelf) sluit het toch aan bij een algemeen gevoel bij veel mensen bestaat dat er altijd ‘grotere belangen’ op het spel staan en het is voor de gewone burger moeilijk te controleren of dat werkelijk nationale en internationale belangen betreft of juist persoonlijke belangen van een groepje machtige mensen of families die het vermommen als het algemeen belang. Mensen worden cynisch als ze het gevoel hebben dat ze geen werkelijke invloed kunnen uitoefenen op de politiek, omdat de politiek beslissingen neemt over hun leven en als ze daar geen invloed op kunnen uitoefenen hebben ze bijgevolg geen zelfbeschikking als burgers. Het is helaas niet genoeg als een klein groepje experts de juiste beslissingen neemt voor ons allen, want we kunnen de juistheid van hun beslissingen niet goed controleren en bovendien is een democratie gebaat bij zoveel mogelijk onderlegde en geoefende democratische deelnemers. De politici moeten niet proberen om in Jip en Janneke-taal de domme burger steeds meer tegemoet te komen om hem emotioneel het gevoel te geven dat hij er ook bij hoort, maar juist vaker een beroep doen op de intelligentie en het zelflerend vermogen van burgers. Wat de burger begrijpt kan hij bekritiseren en dan eventueel met alternatieven komen, maar waar de burger buiten wordt gehouden maakt op den duur onverschillig of juist woedend en kan leiden tot volksopstanden.

Gevaar van binnenuit

In verschillende rijke en ontwikkelde landen in de wereld worden democratieën bedreigd van binnenuit door onverschilligheid of openlijke afkeer van het hele politiek systeem dat als gecorrumpeerd wordt gezien en het onvermogen van westerse landen om democratische waarden te exporteren heeft hier direct mee te maken. Waar de democratie faalt nemen andere waarden het over van een lagere gradatie, zoals nationalisme, religieus fanatisme, etnisch of stammenbewustzijn, totalitarisme, bureaucratie en legalisme. Deze mechanismen treden in werking als het gevoel van directe inspraak van de burgers verdwijnt. Het is niet door referenda dat we meer inspraak krijgen en meer vrijheid ervaren als burgers. Het is door het gevoel dat er vanuit ons wettelijk recht om mee te beslissen vooral die beslissingen worden genomen door de politiek verantwoordelijken waar draagvlak voor bestaat onder het grootste deel van de bevolking. Het gevoel hebben dat niet alle politici links of rechts dezelfde belangen dienen van de machtigste spelers met de meest actieve lobbyisten, maar dat zij democratisch overwegingen een hoofdrol geven bij het beleid en dat kunnen we niet afdwingen met referenda.

Islam en de seculiere wereldorde

Het grootste gevaar bij slecht functionerende democratieën in het rijke westen is niet zozeer het populisme (dat ook een probleem is) maar dat de wereld onveiliger wordt, omdat we als impotente democraten op eigen terrein geen democratische boodschap kunnen brengen aan anderen. We lijken in het westen niet te begrijpen waarom de democratieën in een groot deel van de wereld maar niet van de grond komen en velen willen het probleem eenzijdig neerleggen bij de islam als ‘achterlijke’ religie. Maar het probleem kan beter omgedraaid worden. Zo lang er in grote delen van de wereld te weinig welvaart en stabiliteit is om een substantieel deel van de bevolking wetenschappelijk onderwijs te geven, zullen velen van hen in religie een toevlucht zoeken tegen westerse waarden, omdat zij die niet begrijpen en niet kunnen waarderen. Islamitisch fundamentalisme is in haar terroristische uiting een modern verschijnsel dat samenhangt met de afkeer die gevoeld wordt voor soevereine natiestaten en kapitalistische of socialistische waarden. Die natiestaten worden beschouwd als een gevaar voor de internationale eenheid van de moslimgemeenschap (die nooit heef bestaan) die als ideologische tegenhanger van het kapitalistisch internationalisme naar voren wordt gebracht. De Islamitische Staat is een cultureel toevluchtsoord voor het behouden van een eigen identiteit die zowel het machtige westen moet bestrijden als de seculiere leiders in het Midden-Oosten wiens socialisme of nationalisme niet de vrijheid en ontwikkeling hebben gebracht waar men op had gehoopt bij eerdere generaties.

Islamisme als ‘modernisme’

De gruweldaden waar moslimterroristen toe in staat zijn, laten een hechtingsgestoordheid zien op collectief niveau in moslimlanden die al een paar honderd jaar niet weten hoe ze het westen moeten zien. Als degene die licht brengt in de duisternis met kennis en wetenschap of als de rover die hen de eigen identiteit wil afnemen door de Arabische leiders voor de kar te spannen van economische en militaire belangen terwijl de gewone bevolking de prijs betaalt. Moslimfundamentalisten drukken zich in hun gewoonten en taalgebruik wel middeleeuws uit, maar in hun discours volgen ze moderne ontwikkelingen en ook hun communicatiemiddelen zijn modern, evenals hun wapens en internetpropaganda. De westerling die de crisis tussen de islam en de westerse wereld begrijpt ziet de discrepantie tussen de ouderwetse geloofsvoorstellingen en de moderne presentatie en uitvoering. Het is niet toevallig dat de meeste rekruten van IS nauwelijks kennis van de islam hebben, omdat het in wezen het moderne karakter van de terreurbeweging is dat ze aanspreekt. Een gewelddadig en avontuurlijk leven geromantiseerd door een laagje religieus vernis. (Ze zouden niet graag een terroristische aanval uitvoeren op de rug van een kameel) Het is juist de haat-liefde verhouding met de moderniteit die ze tot de waanzinnige daden aanzet die zoveel onschuldige mensen het leven heeft gekost. Ze voelen zich mislukt in de maatschappij en nemen religieus wraak op een samenleving waar ze zich in culturele en educatieve zin niet tegen opgewassen voelen, omdat ze vaak opgegroeid in parallelle samenlevingen in Europa ook als derde generatie nooit goed geïntegreerd zijn geraakt.

Hoe verdedig je de vrijheid?

De traditionele islamitische theologie tolereert geen willekeurige aanvallen op burgerdoelen en in die zin is de theologie van IS modern en zelfbedacht. Maar het is niet vanwege een theologische interesse dat westerlingen zich hier in zouden moeten verdiepen, maar om meer inzicht te krijgen in hoe de verhouding traditionalisme en moderniteit een rol speelt in relatie tot rijkdom en armoede op wereldschaal, en in speciaal in relatie tussen bovenlaag en onderlaag in diverse landen van de wereld, zoals in toenemende mate ook in ons eigen westen. Er zijn mensen in het westen die beslissingen willen nemen die tegen de grondwet en de democratische principes ingaan, om de democratie te redden. Ze willen de islam verbieden als godsdienst, omdat de islam zich niet verdraagt met andere religies of democratische waarden en de rechtsstaat. Op het moment dat we zo’n beslissing zouden nemen verliest de democratie zelf haar identiteit en worden we een nationalistische staat die eigen ras en cultuurwaarden promoot, zoals in Japan ten tijde van de Restauratie. Het is niet waar dat de islam als geheel zich niet verdraagt met democratische waarden, omdat het met name de politieke islam is die zich structureel richt op het verdrijven van democratische en pluralistische waarden en niet de doorsnee islam. Mensen verwarren categorisch een culturele achterstand in veel moslimlanden die immigranten in Europa conservatief maakt en een groep van 5 a 10% islamisten met een uitgesproken politiek-religieuze agenda waarvan een deel in het westen infiltreert.

De dictatuur van de democratie

Dat democratie een slechte naam heeft gekregen wordt niet alleen bevestigd door de groeiende afkeer van Europeanen voor het Europees parlement en de cynische Amerikaanse presidentsverkiezingen, maar ook door de ontwikkelingen in Turkije onder Erdogan. Het is duidelijk dat Erdogan zeer ondemocratisch is in zijn machtsuitoefening en dat hij langzamerhand al zijn politieke tegenstanders uitschakelt. Toch zijn er weinig Turken die hier bezwaar tegen maken, want het feit dat hij door hen gekozen is lijkt voldoende om al zijn handelingen ‘democratisch’ te maken. De ‘dictatuur van de democratie’ wordt het ook wel genoemd wanneer minderheidsgroepen worden weggedrukt. Het kenmerk van een democratie is niet slechts dat burgers mogen stemmen, maar dat groepen in de samenleving die minder aanhang hebben toch voor vol worden aangezien en evenveel rechten hebben als partijen met meer aanhang. Net als in het oude Griekenland geldt ook nu nog dat zoveel mogelijk mensen van enig talent en educatie moeten deelnemen aan het democratisch proces om haar tot een succes te maken. Het zou iedereen in het westen aan het denken moeten zetten waarom dat niet gebeurt in een land als Turkije dat een grote economische groei heeft gekend. Net als in China en Rusland leidt meer welvaart in Turkije niet automatisch tot meer burgeremancipatie of meer democratie. In toenemende mate wordt duidelijk dat geld geen wondermiddel is en dat de invloed van de vrije markt niet verder gaat dan het comfortabel maken van het leven van veel mensen in materiële zin binnen de grenzen van de cultuur en het politiek systeem dat uiteindelijk bepaalt in hoeverre dat comfort mag gelden voor geestelijke vrijheid en zelfbeschikking.

Het trauma van Turkije

In Turkije sluimert onder een dun laagje democratie een trauma dat teruggaat tot de Eerste Wereldoorlog. Het land verloor grote gebieden van het voormalige Ottomaanse rijk en werd daar bovenop door Kemal Ataturk cultureel onthoofd door rücksichtslos de traditionele islam af te schaffen en er een moderne staat naar westers model voor in de plaatst te brengen. Het meest symbolisch van de omwenteling was het sluiten van de centra van soefi’s, zoals de tekke van Mevlana Roemi de wereldberoemde dichter en mysticus. De religieuze revival die momenteel in Turkije gaande is kan ik niet geheel toeschrijven aan de politieke islam, hoewel elementen daarvan wel een funeste rol hebben gespeeld in de afgelopen decennia. Het voornaamste aspect van de huidige ontwikkelingen in Turkije is het afwerpen van het juk van de militaire leiders dat het seculiere karakter van Turkije jarenlang heeft beschermd tegen een te hoge prijs. Het lijkt erop dat Turkije zichzelf als land wil herontdekken en de Turken willen op de eerste plaats hun cultuur terug van voor de verplichte verwestering door Ataturk. Het maakt ze niet uit dat Erdogan zich gedraagt als een eersteklas dictator, want zulk leiderschap zijn ze gewend zolang als het land bestaat. Een echte democratie is Turkije nooit geweest en politieke repressie past de Turken als een handschoen. Of Erdogan nu tienduizenden tegenstanders laat oppakken of dat de militaire leiders dat deden in de jaren tachtig, zowel de schaal als de beslistheid waarmee het gebeurt zijn hetzelfde.(3)

Confucianistische gehoorzaamheid

Wereldwijd zijn mensen op zoek naar een identiteit, een identificatie met waarden die eeuwenlang algemeen geaccepteerd waren voordat het globalisme alles overnam en de wereldmarkt onze nieuwe godheid werd. De modernisering van ons leven als gevolg van de industrialisatie heeft veel goeds gebracht en voor een deel van de wereldbevolking een hoge mate van zelfbewustwording en zelfbeschikking, maar er zijn veel achtergebleven gebieden die zich noch met onze waarden, noch met onze toekomstidealen kunnen identificeren. Nationale en culturele identiteiten (gemengd met religieuze) komen als een tegenreactie opzetten als signaal dat men in veel delen van de wereld het tempo van de veranderingen van de laatste honderd jaar niet kan bijhouden. In China is in weerwil van het nog altijd zittende communistische regime een revival gaande van het Confucianistische gedachtegoed, dat bij uitstek een conservatieve levensleer is die gehoorzaamheid aan autoriteiten predikt. De zoon moet respect hebben voor zijn vader en in overdrachtelijke zin ook voor de keizer (of partijleider) die ‘als een vader’ is voor het land. Het lijkt niet waarschijnlijk met deze tendensen dat er gauw een bres zal worden geslagen in het communistische staatsapparaat die de Chinese dissidenten de nodige ondersteuning zal bieden in hun vrijheidsstrijd, want vrijheid zoals de westerling het verstaat heeft in het confucianisme geen betekenis. Gehoorzaamheid, respect en de juiste gezagsverhoudingen zijn hier leidend en een machtswisseling of een omvorming van het politieke systeem staan daarbij niet op de agenda.

Sven Snijer  




(3)’Duizenden werden onderworpen aan brute marteling, waarbij 175 mensen stierven en veel anderen bleven invalide. Vijftig mensen werden naar de galg gestuurd. Het hele proces, in de woorden van een Turkse liberaal, was “een orgie van geweld”.’ Mustafa Akyol, ‘Islam without extremes’, 2011.

De hypocriete achterban van Trump


De afgelopen twee jaar bemerkte ik in het islamdebat steeds hetzelfde fenomeen in discussie met degenen die waarschuwen voor de ‘islamisering’ van Europa en de Verenigde Staten; het ontkennen van een principieel onderscheid tussen islam en islamisme. Volgens islambashers is er in essentie geen grens te trekken tussen de islam als religie en het islamisme als politieke uitingsvorm in de moderne tijd. Dit omdat de islam vanuit de bronteksten het geweld in zich zou dragen en omdat bij de profeet Mohammed de politieke, religieuze en militaire macht al verenigd waren. Daarom is voor hen iedere moslim een potentieel gevaar voor een open en tolerante samenleving. Het onderscheid tussen islam en islamisme zou gemaakt worden door ‘wolven in schaapskleren’ die de politieke islam aan het westen proberen te verkopen in een schijnbaar aangepaste vorm aan goedgelovige politici en academici, terwijl ze een geheime agenda voeren van sharia-wetgeving en afschaffing van de democratie zodra een numerieke meerderheid van moslims dat mogelijk maakt. Islamisme is voor deze mensen een term die moet verhullen dat niet alleen de politieke islamisten/ jihadisten een gevaar zijn voor de vrijheid en democratie, maar ook de gematigde mainstream van de islam, die vanzelf in het voetspoor van de islamisering zal volgen als deze zich voltrekt. Een mogelijkheid tot modernisering en hervorming in de islam wordt door hen uitgesloten en degenen die dit nastreven zijn bedriegers en huichelaars met heel andere bedoelingen. Ook de Syrisch-Duitse geleerde Bassam Tibi wordt regelmatig geplaatst in de hoek van onbetrouwbare lieden die het westen een valse islam voorspiegelen, omdat moslims zich ten diepste niet kunnen of willen aanpassen aan het westen.

'Waarover men niet spreekt'

Nu zal Bassam Tibi de eerste zijn om toe te geven dat de modernisering en hervorming van de islam moeizaam verloopt en in feite weinig kans maakt in de politieke en economische verhoudingen zoals die zich wereldwijd manifesteren, maar als er iemand is die continu gewaarschuwd heeft voor het islamisme en het inherente antisemitisme (‘genocidaal antisemitisme’) dat zelfs door professoren van Arabische universiteiten wordt onderwezen, dan is het Bassam Tibi wel.(1) Wat Tibi wordt verweten door felle anti-islamactivisten, is niet dat hij de minpunten van het islamisme probeert te verdoezelen, maar dat hij ons ten onrecht wijsmaakt dat het islamisme kan worden onderscheiden van de ‘gewone islam’, want daarmee zou het westen in de luren worden gelegd. Het in rechtse kringen veel geprezen boek ‘Waarover men niet spreekt’ van Wim van Rooy is ook bijzonder ambivalent over dit begrip, dat de ene keer wel, de andere keer niet lijkt te bestaan.(2) Steeds opnieuw ontstaat vanuit de verwarring van een culturele achterstand en gebrekkige mensenrechten in veel islamitische landen met de islamitische leer als zodanig, het idee dat de islam niet kan en niet wil hervormen of moderniseren. Voorstellen in die richting zoals Bassam Tibi heeft gedaan met zijn Euro-islam (geen islamitisch Europa maar geïntegreerde Europese moslims) werden afgedaan als naïef of bedriegerij.

Trump benoemt het islamisme 

Maar wat schetst mijn verbazing als ik de krantenberichten lees die commentaar geven op de toespraak die de Amerikaanse president Trump hield in Saoedi Arabië op 21 mei 2017 die diende ter legitimatie van een wapendeal van 110 miljard dollar? Doelbewust werd in de toespraak diverse keren onderscheid gemaakt tussen de islam en islamisme, tussen islamistische terreur en islamitisch geïnspireerd geweld (al versprak Trump zich een paar keer ‘uit vermoeidheid’ volgens de perswoordvoerder) en op geen enkele manier werd de islam zelf als een probleem gezien, noch voor het westen noch voor de Arabische bevolking (i.v.m. vrouwenrechten/ doodstraf op afvalligheid). Trump gaf aan zich niet te willen bemoeien met de cultuur en tradities van andere landen en minister Tillerson zei dat Amerika een scheiding moest maken tussen haar waarden en haar beleid. In gewone mensentaal, ‘Als er geld verdiend kan worden zijn wij even geen leidende natie in de wereld’. Journalist Peter Beinhart viel de toespraak van Trump specifiek op dit punt aan, omdat de huidige president vaak het verwijt heeft gemaakt aan zijn voorganger Obama dat deze om de hete brij heen draaide als het ging om het benoemen van de problemen met het islamitisch terrorisme en in het algemeen met de islam. In een stadhuis van de staat Wisconsin vorig jaar maart, vroeg Anderson Cooper (CNN) aan Trump of hij moslims vertrouwde. Hij antwoordde: “We hebben een probleem, en we kunnen daar politiek correct over proberen te doen en pretenderen dat we geen probleem hebben, maar Anderson, we hebben een groot, groot probleem.”(3)

De monolitische politieke islam 

Een jaar geleden nog had Amerika dus een groot probleem met de islam. Niet met islamisten of de politieke islam, maar met moslims in het algemeen. Tot het moment dat hij naar Saoedi Arabië afreist om een mega-wapendeal te sluiten, want op dat moment spreekt Trump uiterst politiek correct. Hij noemt wel het terrorisme van IS en het terrorisme uit Iran dat een bedreiging vormt voor de regio (mogelijk ontwikkelen ze een kernwapen), maar nergens geeft hij akte van het feit dat Saoedi Arabië zelf een uiterst conservatief islamitisch land is, waarvan de religieuze stroming wahabisme indirect voeding geeft aan talloze extremistische moslimgroeperingen in de wereld. Nergens ter wereld wordt de ‘ware islam’ zo monolitisch onderwezen als in Saoedi Arabië en nergens worden de spirituele en culturele wortels die de islam eeuwen lang verbond met andere geloven en overtuigingen zo sterk afgezworen en theologisch veroordeeld als in dit land. Het soefisme, dat de islam glans gaf vanaf de twaalfde eeuw en literaire meesters voortbracht die in het westen nog volop gelezen worden (Roemi, Attar, Hafiz) is tegenwoordig volkomen in de ban gedaan en de grote mystici van het verleden die intercultureel en multi-religieus dachten worden of sterk afgeraden of zeer selectief gelezen, zodat ze orthodoxer lijken dan ze in werkelijkheid waren. Het wahabisme is zo' n beetje de meest kortzichtige islam die men kan bedenken, maar president Trump wil zich niet met andermans zaken bemoeien.

Toespraak van Obama in Caïro

Dan is toch vreemd dat juist de continu door hem voor ‘lafaard’ uitgemaakte president Obama tijdens een toespraak op de universiteit van Caïro (Egypte) wél de problemen in de islamitische wereld in de volle breedte durfde te benoemen, variërend van de ontkenning van de Holocaust door veel moslims (‘ongegrond, onwetend en hatelijk’), het dreigen met de vernietiging van de staat Israël, het herhalen van walgelijke stereotypering van joden, de onderdrukking van vrouwen in de islamitische wereld en hun beperkte toegang tot het onderwijs. Daarbij pleitte hij voor algemene menselijke waarden als ‘vrijheid van meningsuiting, inspraak in het bestuur van je land, kunnen vertrouwen op een rechtvaardig rechtssysteem en een niet-corrupte overheid die niet steelt van zijn eigen mensen. De vrijheid om te leven zoals je wil’. Hij benadrukte dat dit niet alleen Amerikaanse ideeën waren, maar mensenrechten, die door Amerika ook elders ondersteund worden. Ook noemde hij in navolging van George W. Bush dat autoritaire en corrupte Arabische regimes mogelijk terroristische groepen als Al-qaida en IS te lang te vriend hebben willen houden. Niets van dit alles was terug te vinden in de toespraak van Trump die zich enkel richtte op het gevaar van Iraans terrorisme, de gezworen vijand van Saoedi Arabië. Hij ging even voorbij aan twee dingen: Het shjiitische Iran vertegenwoordigt de minderheid van 10% in de moslimwereld tegenover 90% soenni-islam (waar Saoedi Arabië deel van uitmaakt) wat het terroristische aandeel van dit land bijzonder klein maakt tegenover het soenni-terrorisme van IS, Al Shabab, Al Qaida, enz. Bovendien heeft het soenni-terrorisme in veel opzichten de tactiek en zelfs gedeeltelijk de leer overgenomen van de Shia-islam (zelfmoordaanslagen/ actief ‘martelaarschap’) en hebben veel van de leerstellingen van IS ook nog eens sterke overeenkomst met de gangbare (wahabitische) theologie van Saoedi Arabië.

'Voor wie geld heeft is de vrijheid niet duur'

Je raakt behoorlijk in de war als je leest hoe begripvol de achterban van Trump zich opstelt richting de president in diverse lezerscommentaren op websites die aandacht besteden aan zijn speech, wanneer Trump het -tot dan toe niet bestaande- onderscheid maakt tussen islam en islamisme en nu geheel in tegenspraak met zijn eerder uitlatingen doet alsof de islam helemaal niet het probleem is. Er worden door zijn aanhangers voornamelijk pragmatische redenen aangevoerd om Trump zijn politiek te verdedigen, zoals het gevaar van Iran keren (die de rebellen in Jemen blijft opstoken met duizenden doden tot gevolg), de noodzaak van een sterke bondgenoot in de regio, de onmogelijkheid voor Israel om het alleen te doen, het geld dat Amerika nodig heeft voor de eigen economie, het lef van Trump om de problemen te benoemen ‘in het hol van de leeuw’ (dat deed hij niet door vooral te wijzen naar Iran) en allerhande argumenten die het zo voorstellen dat Amerika helemaal geen voorbeeldfunctie heeft voor de wereld, enkel economische en militaire belangen. En dat terwijl een minder patriottische president als Obama de Amerikaanse waarden presenteerde als universele waarden die uitgedragen moeten worden. Volgens de regering Trump zijn de Amerikaanse waarden wel superieur aan die van andere culturen, maar moeten de Amerikanen die lekker voor zichzelf houden. Ze zijn kennelijk wel goed, maar niet universeel. 

Sven Snijer

(1)"We shall talk about Zionism, or world Jewry, in order to adress the related master plan persued by the related secret societies for the destruction of the wordl", Ali Jarischa en Mohammed Zaibaq in hun boek 'Asalib al-ghazu al-fikri lil alam al-Islami' - 'Islamism and Islam', Bassam Tibi, 2012.


maandag 24 juli 2017

Democratie als levensfilosofie



De democratie is met haar democratische waarden niet alleen een bestuursvorm maar ook een levensfilosofie en een levenswijze. Het is een seculiere manier van denken met grote maatschappelijke draagkracht al is niet iedereen het er over eens hoe de democratie het beste kan functioneren. De meeste mensen vinden wel dat het gezamenlijk besturen van een land beter is dan geregeerd worden door een selecte groep. Dat blijkt wanneer de democratie bedreigd wordt door ondemocratische stromingen als anarchisme, communisme, fascisme, nationaalsocialisme of islamisme waar weinigen aan overgeleverd willen worden. Democratie is een systeem waarin elementen van totalitaire ideologieën wel kunnen sluimeren, maar vaak niet opgewassen zijn tegen de alom aanwezige pluriformiteit en machtsdeling die zorgvuldig door haar burgers en het rechtssysteem worden bewaakt. Bewegingen met intolerante opvattingen worden beschouwd als een onderdeel van het systeem dat zelf een hoge mate van tolerantie heeft, want het inclusieve denken omvat ook exclusieve opvattingen. Dit berust op de kracht van het gemiddelde waardoor de extremen aan beide kanten van het politieke spectrum elkaar vaak neutraliseren en een stabiel middenveld geven. Democratie betekent op de eerste plaats het onschadelijk maken van machtsconcentraties bij personen en groepen die het evenwicht van het geheel kunnen verstoren.

Democratie voor gegoede burgers

Historisch gezien is democratie niet het idee geweest van één geniale geest, want het ontstond geleidelijk als gevolg van politiek-sociale omstandigheden. Vaak begon de tot welvaart gekomen middenklasse van een samenleving te knabbelen aan de macht en de privileges van de aristocratische bovenlaag, omdat de rijke kooplieden als dragers van de economie een steeds grotere invloed wilden op het stadsbestuur. Alle democratische rechten die burgers vandaag de dag hebben zijn bevochten in vele eeuwen van burgeremancipatie, waarbij de gegoede burgers aanvankelijk in de macht mochten delen van de adel, terwijl de gewone burgers nog steeds weinig te vertellen hadden. Veel politieke en sociale hervormers tot ver in de Verlichtingstijd wilden nooit verder gaan dan een vorm van democratie die zich uitstrekte tot een ontwikkelde bovenlaag, want adel of geen adel, een bepaalde distinctie in kennis en omgangsvormen beschouwde men toch wel als vereiste om te mogen meebeslissen in de politiek. Dat de democratie zo’n extreme mate van egalitarisme zou bereiken als in onze huidige tijd, met stemrecht voor iedere burger van achttien jaar of ouder en stemrecht voor vrouwen (in een samenleving zonder slavernij of lijfeigenschap) is een resultaat waar niemand op gerekend had.

De mens als politiek wezen

Opvallend bij de democratische bewustwording in de Europese geschiedenis is dat op beslissende momenten in onze cultuurontwikkeling de mens filosofisch beschouwd werd als een politiek wezen. In het oude Griekenland was Aristoteles al van mening dat de mens zich onvoldoende zou ontwikkelen en niet tot zijn volle potentieel kon komen buiten een stedelijke omgeving (stadstaat/ Polis) omdat de complexiteit van het stadsleven, met haar geavanceerde bestuursvorm, haar wetenschap, kunst en cultuur, religie en filosofie de ideale omgeving was om te ontdekken wat het doel van het mens-zijn was. Hij ontwikkelde het idee van de ‘eerste en tweede filosofie’ waarmee hij aangaf dat intellectuele inspanningen in eerste instantie een bepaald nut moeten hebben voor de mens en de samenleving (‘tweede filosofie’). Dit beschouwde hij als de noodzakelijke oefening om tot de eerste filosofie te geraken, die alleen gewaardeerd kon worden door mensen die het hoogste goed -het geestelijk inzicht- als een op zichzelf staande waarde konden waarderen. Zonder een menselijke samenleving waarin men midden in het leven staat, zou iemand nooit het onderscheid kunnen maken tussen de nuttige en de essentiële dingen. In die zin beschouwde hij de mens als een politiek dier, een wezen dat in een politiek-sociale structuur het beste tot zijn recht komt, omdat alles in de Griekse stadstaat met het politieke systeem te maken had en de mens alleen via die sociale interactie tot zijn eigen spirituele en filosofische bestemming kon komen.

De republiek Florence

In de stad Florence werd tijdens de renaissance vanuit een politiek ideaal het onderwijsprogramma opgezet voor het ambtenarenapparaat van de stad (studia humanitas) dat zich veel later zou ontwikkelen tot de humanistische levensbeschouwing. Oorspronkelijk was het een literair-filosofische stroming gericht op de klassieke oudheid die door de Florentijnse bestuurders Coluccio Salutati en Leonardo Bruni politiek werd georganiseerd als systeem om burgers te scholen, zodat zij met meer kennis en vaardigheden invulling konden geven aan administratieve en bestuurlijke functies. De pas opgerichte republiek Florence werd democratisch bestuurd door de vertegenwoordigers (Priori) van de belangrijkste Gilden (handelskartels) die de macht hadden overgenomen van de Magnati en Grandi, respectievelijk de oude aristocratie en de rijke kooplieden van eerdere generaties die zich de levensstijl en gewoonten van de adel hadden eigen gemaakt. Deze machtige bovenlaag van oude en nieuwe adel werd buiten het stadsbestuur gehouden, terwijl de gilden de hogere en lagere bestuursfuncties bezetten met vaak een heel korte ambtstermijn, waarna ze plaats maakten voor nieuw gekozen burgers om corruptie te voorkomen.

Gezamenlijke besluitvorming - de gave van het woord

Het was niet toevallig dat in deze politieke cultuur werd teruggegrepen op de grote Romeinse en Griekse denkers, want de Noord-Italiaanse steden waar het humanisme tot bloei kwam hadden meer gelijkenis met de Griekse stadstaten uit de tijd van Aristoteles (en de vroege Romeinse republiek) dan met de landbouwcultuur van het middeleeuwse feodale Europa. Haar overwegend boerenbevolking met een adellijke bovenlaag liet zich in levensbeschouwelijk opzicht leiden door de kerk en die ging uit van een driestandenmaatschappij waarin iedereen zijn vaste plaats had. De geestelijkheid was er voor het zielenheil van de mensen tijdens hun leven als voorbereiding op het hiernamaals, de adel was er om te strijden (veiligheid te verschaffen bij invallen van vreemde volkeren) en de boeren en ambachtslieden dienden voor de voedselvoorziening. Dit maatschappijmodel dat geen enkele sociale mobiliteit kende (mogelijkheid om je op te werken) sprak de zich ontwikkelende stadsbevolking van Florence en andere Italiaanse steden niet aan. De priori van de zeven grootste gilden vormden het dagelijks bestuur van de stad en omdat ze tot een gezamenlijke besluitvorming moesten komen werd aan de gave van het woord grote waarde toegekend. Anders dan in de middeleeuwen diende de rede niet langer om het geloof van een rationele onderbouwing te voorzien (godsbewijzen), maar werd ze nu gezien als een belangrijk hulpmiddel bij politieke vernieuwing. Wie een goede taalbeheersing had, het klassieke Latijn van Cicero en Quintilianus, was in staat om anderen te overtuigen door inzicht. Door zich de ethische deugden van de Romeinse filosofen van het verleden eigen te maken konden burgers bovendien beter dienstbaar zijn aan het ideaal van gezamenlijk bestuur, rechtvaardigheid voor allen en welvaart voor de stad. Ook al deden de Grandi en Magnati er alles aan om op slinkse wijze hun macht en invloed terug te krijgen, het gewone volk bleef een factor van betekenis en het ideaal van ‘bescherming van de kleinen en zwakken tegen onderdrukking door de machtigen en rijken’ werd steeds opnieuw verdedigd. Het ‘volk’ was een politiek begrip geworden en het grote plein in Florence was haar domein.    

Een maatschappij voor de burgers

Ook in het tijdperk van de Verlichting was de kijk op de mens essentieel politiek van aard. De Engelse filosoof John Locke was van mening dat het mogelijk was om een betere maatschappij te maken door betere mensen te ‘produceren’. Met behulp van de rede (onderwijssysteem) en een samenleving met meer sociale rechtvaardigheid kon een einde worden gemaakt aan het fatalisme van het verleden. De samenleving kon worden verbeterd door betere burgers af te leveren en nog een stadium verder, in de moderne tijd, werd het maatschappelijk systeem beschouwd als een geheel van instellingen dat in dienst moest staan van het welzijn van al haar burgers. Niet langer was de ideale samenleving het doel (Utopia), maar een ideaal leven voor individuele mensen, met goed onderwijs, medische voorzieningen, verzekeringen, rechtsbijstand, veilig en goed betaald werk, sociale voorzieningen, met veel vakanties en vrije dagen. Het politieke systeem moest dat welvarende leven in vrijheid met gegarandeerde rechten waarborgen en het werd daarom steeds meer als een dienaar van het volk gezien dan als een verbindende factor tussen burgers die via hun politieke idealen zichzelf en elkaar versterkten, terwijl tegelijk het systeem verder verbeterd werd. Toen op zeker moment alles bereikt was verloren de burgers van de democratische samenlevingen langzaam hun interesse in het politieke systeem en begonnen het zelfs saai te vinden. En dat is het in feite ook, als er geen grote dingen meer op het spel staan zoals stemrecht, vrouwenrechten, kinderarbeid, armoedebestrijding, recht op onderwijs, enz.

‘Kloof tussen politiek en burger’

We zijn op zeker moment terecht gekomen in het fabeltje van ‘de kloof tussen burger en overheid’ die vooral te maken heeft met de professionalisering van het bestuur dat heeft geleid tot verregaande bureaucratie en een professionele vergadercultuur in meerdere etappes waardoor besluitvorming erg langzaam gaat. Dit wordt nog eens versterkt door het laagdrempelige karakter van ons politieke systeem (precies het omgekeerde van de ‘kloof’) waardoor talloze maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven gehoord moeten worden en serieus genomen, bij welk besluit dan ook. Dat er soms anders wordt besloten op hoog niveau dan ‘wat het volk wil’ is niet zozeer een teken dat ons democratisch systeem niet werkt of dat politici niet willen luisteren naar de burger, maar dat er bij grootschalige projecten belangen op het spel staan van grote spelers met veel economische macht. Het zijn eerder de machtige lobby’s van (internationale) bedrijven die het democratische systeem onder druk zetten dan dat er sprake zou zijn van een te grote afstand tussen Den Haag en het land. Neem het probleem van de radicale islam in het westen. Veel mensen menen dat het de politieke onwil is van politici om het probleem van radicalisering eens stevig aan te pakken, alsof het niets meer dan ‘linkse schijnheiligheid’ betreft die ze daarbij tegenhoudt. Dat zal in de nasleep van de postmodernistische en multiculturele jaren negentig, waarbij elk kritisch geluid richting een andere cultuur of religie werd neergesabeld als ‘discriminatie’ of ‘fascisme’ nog steeds een rol spelen in de haarvaten van het systeem, maar internationaal gezien is er wel wat meer aan de hand. De wapendeal van honderd miljard dollar die de Amerikaanse president Trump onlangs sloot met Saoedi Arabië, de hofleverancier van het salafistische gedachtegoed, is een factor die vele malen meer impact heeft op Europa dan welk binnenlands beleid door de afzonderlijke landen gevoerd ook.

Helpt het vrije westen Qatar?

Wat er voor individuele regeringen overblijft is symptoombestrijding, want de oorzaak van het radicalisme wordt niet weggenomen. Grote financiële belangen staan dat in de weg, notabene belangen van het land dat het zwaarst getroffen werd van allemaal door islamitisch terrorisme, de Verenigde Staten op 11 september 2001 (Twin Towers). Saoedi Arabië mag als bondgenoot van de VS dan wel betrouwbaar zijn op het gebied van geld en militaire steun, maar tegelijkertijd is een radicale vorm van islam het fundament van dit land en van een aantal buurlanden die eveneens rijk zijn geworden door olie. Zonder deze olie zou het gedachtegoed van deze landen op geen enkele manier invloed kunnen uitoefenen in de moderne wereld, maar dankzij de oliedollars kan het radicalisme wereldwijd worden geëxporteerd. Het was schrijnend om te zien hoe Qatar, het enige land in de regio dat echt aan het moderniseren is, met objectief en interactief nieuws vanuit de hele wereld op zender Aljazeera, vanuit het westen weinig steun ontving toen Saoedi Arabië in een ultimatum eiste dat deze zender (kritisch op conservatieve en patriarchale machtsverhoudingen) zou worden opgeheven. Het enige land in het Midden Oosten waar je als vrouw wél kunt uitgroeien tot invloedrijk nieuwsanker liet men een beetje bungelen. Nog steeds hangt deze kwestie in de lucht, dus hoeveel waarde hecht Amerika nu echt aan vrije pers als het niet in haar eigen economische en militaire belang is? Voor Europa geldt dezelfde vraag. Duitsland werd pas woedend op de ‘gekozen’ autocraat Erdogan toen een Duitse mensenrechtenactivist werd opgepakt in Turkije, niet toen Erdogan maanden daarvoor hetzelfde deed met duizenden onschuldige Turken die allemaal ‘Gülen-terroristen’ zouden zijn.

Weerstand tegen het globalisme

Uitgaande van de factoren die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de democratie door de geschiedenis heen (afname van de macht van een selecte groep en groeiende betrokkenheid van het volk bij de politiek) en de factoren die haar hebben bedreigd (teveel macht en rijkdom bij enkele personen of families) kunnen we concluderen dat er in de huidige tijd veel te weinig invloed is van het volk op de politiek om haar verder te ontwikkelen of zelfs overeind te houden. Niet omdat we geen vrijheid van meningsuiting hebben of ons niet verkiesbaar mogen stellen, maar omdat internationale krachten tegenwoordig een belangrijk deel van ons nationale beleid bepalen. En omdat we op nationaal niveau de onvermijdelijke gevolgen van de internationale politiek ervaren (met de invloed van multinationals voorop) en daar niet veel meer tegen kunnen doen dan korte termijnoplossingen zoeken voor problemen die nog heel lang zullen blijven bestaan door een structurele evenwichtsverstoring in de wereld op economisch, politiek en sociaal gebied. De reactie van veel mensen in deze tijd die niet geloven in de globalisering als cultureel ideaal van de links-liberale elite is een hernieuwd nationalisme en het willen sluiten van de Nederlandse of Europese grenzen. De roep om het terughalen van de politieke besluitvorming uit Brussel naar Den Haag en het ‘baas zijn in de eigen winkel’ is wederom zo’n korte termijnvisie die niets oplost aan de internationale krachten die het lot bepalen van ons allen. Om het in klimatologische termen uit te drukken, we kunnen wel steeds hogere dijken bouwen maar als de zeespiegel blijft stijgen is het misschien beter om de uitstoot van al die aarde-opwarmende gassen wereldwijd aan banden te leggen via internationale verdragen.

Wereldproblemen mondiaal aanpakken

Anders dan samenzweringsdenkers en nationalisten ben ik niet bang voor een ‘geheime’ wereldregering, maar kijk ik er reikhalzend naar uit. Het wordt hoog tijd dat de grote problemen in de wereld op mondiaal niveau aangepakt worden en niet langer afhankelijk zijn van de wil of onwil van deze of gene militair-economische grootmacht. Er is altijd wel een dwarsligger die meent dat de andere partijen meer voordeel trekken van een bepaald verdrag, dus dient er een instantie te komen die boven de grootste partijen staat, groter dan de grootste landen en sterker dan de machtigste internationale bedrijven. Een wereldparlement met gekozen afgevaardigden uit alle landen naar het model van de Verenigde Naties, maar met verregaande bevoegdheden en de eindverantwoordelijkheid over nucleaire energie en wapens. Alleen op die manier kan er evenwicht komen op het wereldtoneel en hoeven de individuele landen niet telkens opnieuw tijdelijke allianties met elkaar aan te gaan ingegeven door de noodzaak van het moment (Vluchtelingendeal van Europa met Turkije). Geld is wat op dit moment de wereld kapot maakt, niet een falende democratie. Amerika werd door een grote Amerikaanse krant een jaar terug uitgescholden voor ‘Oligarchie’ omdat een klein groepje van superrijken het grootste deel van het land in handen hebben en verkiezingen doorgaans worden gewonnen door de kandidaat met de rijkste sponsors. De essentie van democratie is machtsdeling en op dit moment zijn wij als wereldburgers niet in staat om de macht van de grootste spelers aan regels te onderwerpen, maar moeten democratieën zich laten leiden door internationale handelsbelangen en betrekkingen met landen waar het met de democratie en de mensenrechten slecht gesteld is. Opkomende economische grootmacht China pakt zelfs dissidenten op in het buitenland en ontvoerd ze naar Chinese gevangenissen, maar het westen doet er goede zaken mee.

De nieuwe ‘Grandi’ 

In wezen erkennen samenzweringsdenkers wel het probleem van het ondermijnen van de democratische zelfbeschikking van burgers, maar ze zien niet in dat dit natuurlijke oorzaken heeft en geen geheime genootschappen vereist die een sinister plan hebben om de wereld over te nemen. Macht corrumpeert al zolang als de mensheid bestaat en natuurlijk zullen de rijken en machtigen der aarde zoveel mogelijk dingen naar hun hand willen zetten als ze daar de mogelijkheid toe zien. De vraag is waarom die macht niet kan worden ingeperkt en waarom op het hoogste niveau de wereldpolitiek niet langs democratische en juridische, maar langs economische lijnen loopt. In het verleden heeft welvaart vaak gezorgd voor meer emancipatie van het volk, omdat een zich ontwikkelende zelfbewuste middenklasse bij de elite meer rechten opeiste voor zichzelf, wat geleidelijk aan ook ten goede kwam aan de lagen daaronder. Maar in grote delen van de wereld bestaat helemaal geen ontwikkelde middenklasse, omdat de steun van kapitalistische en communistische landen tijdens de Koude Oorlog aan onderdrukkende regimes overal ter wereld bij het knechten van hun eigen bevolking dit tegenhield en veel landen niet begrijpen hoe democratie werkt. Wat we nu zien in de wereld is dat er door de wereldhandel niet meer emancipatie ontstaat voor burgers in derdewereldlanden, maar een soort lijfeigenschap (en soms letterlijk slavernij en kinderarbeid) in de lage lonenlanden, die in dienst staat van de nieuwe aristocratie, de moderne ‘Grandi’, de welvarende, volgevreten, superconsumerende en vervuilende burgers van het vrije westen.

Vrijheid van retoriek?


Omdat westerlingen niet nadenken over de herkomst van palmolie in de producten die ze aankopen, worden er in Indonesië hele oerwouden platgelegd en daar spreken wij makkelijk schande van, maar er zou niets worden gekapt als we als wereldbevolking verantwoordelijkheid zouden voelen voor de hele planeet en niet alleen voor de veiligheid van onze eigen landsgrenzen, pensioenen of ‘vrijheid van meningsuiting’. Want dat is ook zo’n ding, die vrijheid van meningsuiting. We hebben de vrijheid om te signaleren wat er niet deugt in de wereld, maar niet de middelen om het aan te pakken. Daarmee is die vrijheid meer een ijdel sieraad dan een machtig wapen in de strijd tegen onrecht en onderdrukking. Problemen op wereldniveau vragen om oplossingen op wereldniveau en daar hoort ook een autoriteit en beslissingsbevoegdheid bij die mooie afspraken en beloften tussen landen ten uitvoer kan brengen. In de tijd dat Saddam Hoessein nog in het zadel zat was het negeren van VN-resuloties zijn dagelijkse tijdverdrijf, want de Verenigde Naties als reus op lemen voeten kon tot geen enkele actie over gaan zonder toestemming van de economische en militaire grootmachten van de wereld. En zo is het nog steeds. De inval in Irak was naar de wens van Amerika, met steun van de zichzelf overschattende links-liberaal Tony Blair die net zoals nu de Franse president Macron aan het doen is graag tegen het been van de machtige vriend Amerika stond op te rijen om er zelf belangrijker door te lijken. Toen de massavernietigingswapens in Irak niet gevonden werden was men in de VS achteraf toch maar blij dat de dictator was afgezet, maar nog niet zo lang daarvoor verdiende de Europese wapenindustrie goud geld aan hun belangrijke afnemer Saddam (inclusief de grondstoffen voor zijn gifgasaanval op de Koerden).


Amerika ‘eerste’ onder de egoïsten

De Verenigde Staten zijn nog slechts met grote moeite ‘leidende natie’ in de wereld en behalve voor de verdediging van de vrije wereld met geld en wapens hoeven we daar verder eigenlijk weinig van te verwachten. Het land is afgezakt naar het niveau van eigenbelang tegenover Europese, Chinese, Russische of Mexicaanse belangen zonder dat er een gezamenlijk belang voor alle volken en naties kan worden geformuleerd. Politieke armoede en kortzichtigheid van de bovenste plank. Het drama dat zich nu voltrekt is dat de verliezende grootmachten Europa en Amerika zich terugtrekken in hun eigen cocon en net doen alsof in het Oosten niet een ontwikkeling gaande is waardoor ze straks zullen worden weggespoeld van het wereldtoneel; de groei van China en India. Als zij er wel in slagen de derdewereldlanden tot bloei te brengen (economisch investeren in Afrika in plaats van ze met ‘ontwikkelingshulp’ zeventig jaar aan de bedelstaf te houden, zoals Europa en de VS deden) dan wordt het Aziatisch continent heel machtig en zal zij haar culturele waarden gaan dicteren aan de rest van de wereld. En ook dat is geen stap op weg naar meer democratie op wereldniveau, al kan het de aanloop zijn er naartoe als de zich ontwikkelende landen en volkeren zich geleidelijk aan gaan emanciperen. Maar voor hetzelfde geld zal China een groot deel van de wereld economisch bezet houden, zoals de VS dat lange tijd deed en haar leger uitbreiden om de wereldpolitiek naar haar hand te zetten.

Terug naar de Grote Leider?

Ik ben ervan overtuigd dat de democratie uiteindelijk wereldwijd de overwinning zal behalen, want we kunnen nu eenmaal niet terug naar de achterlijkheid en onderworpenheid. Niemand wil terug naar de ossenwagen, als er auto’s gereden hebben en vliegtuigen gevlogen, maar het is heel goed denkbaar dat de democratie in bepaalde delen van de wereld lange tijd niet van de grond zal komen en zelfs raakt ondergesneeuwd door primaire instincten daar waar ze eens heeft gebloeid. Het Europa van de middeleeuwen was primitiever in politieke zin dan het bestuur van Athene of Sparta vele eeuwen daarvoor. De macht van het keizerrijk Rome drukte alles weg wat daarvoor had bestaan aan democratie en inspraak van de senaat en het christelijk geloof gaf meer antwoorden op vragen over het leven ná dit leven dan dat het handvatten verschafte voor maatschappelijke hervorming en burgeremancipatie. De nieuwe rijken van Florence tijdens de renaissance moesten in de antieke filosofie van de Romeinen excuses vinden voor hun welvaart die ze door hard werken hadden verkregen, omdat de kerk hen het aanrekende met zoveel ijdelheid te leven. Men kon zich maar het beste schikken naar de bestaande ‘orde der dingen’ en de kerk was een belangrijk onderdeel van die bestaande orde. Gelijktijdig met de toename van autoritaire regimes in de wereld (Rusland, Turkije, Polen, Hongarije, Syrië, Filippijnen, enz), vrijheidsonderdrukkende maatregelen en het verdacht maken van de vrije pers of wetenschappelijke onderzoeken zien we de opkomst van een nationalisme dat aanschuurt tegen de (voorheen als achterlijk afgedane) religie van eigen bodem op zoek naar een verloren identiteit. ‘Wie waren we ook al weer voordat we consumenten werden?’ Het antwoord daarop is moeilijk uit te leggen in een paar woorden, maar het had iets te maken met emancipatie en zelfbeschikking in een gezamenlijke verantwoordelijkheid die boven onze eigen egoïstische belangen uitging, zonder ons te hoeven vastklampen aan vlaggen, symbolen, etniciteiten, geloofsovertuigingen, culturen en idealen die boven de algemene menselijkheid uitgingen.  

Sven Snijer