donderdag 15 januari 2015

Onderwijs - het laatste bastion van de 'linkse kerk'

Words must be a little bit wild, for they are the attack of the thinking on the non-thinking’.
                                                                                   John Maynard Keynes

Wie nog niet overtuigd is van de onkunde van de Nederlandse politici in het islamdebat moet maar eens het AD-artikel over de islamdiscussie op een VMBO-school lezen, waar minister Bussemaker en docente Veerle van der Loo met elkaar over in gesprek zijn. Wie er kennis van neemt kan niet anders dan concluderen dat het onderwijs toch echt het laatste bastion vormt van de ‘linkse kerk’, die in grote delen van de maatschappij al verdreven is, omdat de echte discussie daar inmiddels wel is opengebroken.

http://www.ad.nl/ad/nl/33624/Aanslag-Parijs/article/detail/3830267/2015/01/15/Leerlingen-vmbo-vinden-de-jihad-echt-vet.dhtml  


Het artikel toont niet alleen de krampachtigheid en lafheid aan waarmee ontwikkelde westerlingen het volksgeloof en de cultureel vooringenomen standpunten van een immigratie-religie tegemoet treden, maar probeert ook aan het einde op een trieste manier te relativeren met een grapje waarbij de lezer zichzelf even onder de oksel moet kriebelen om het lachen mogelijk te maken. Het is weer het oude linkse liedje van ‘weg met ons’ (1) waar er voor ieder voorbeeld van moslimfundamentalisme meteen een tegenvoorbeeld wordt gegeven waaruit blijkt dat het westen het ook lang niet altijd goed doet. Dat kan objectief gezien zo zijn, maar dat hoeft niet genoemd te worden in de context van geloofsfanatisme van de personen die de afgelopen week het nieuws hebben gehaald, want anders wordt het kwaad geëxcuseerd met de stelling dat ‘anderen het ook doen’.

Het meest abjecte aan de reacties van deze kinderen op de aanslag in Parijs was dat ze het ‘kapot vet’ vonden en dat de cartoonisten er ‘zelf om gevraagd hadden’. Anders dan de docente van de school denkt, verzinnen kinderen deze meningen niet zelf, maar herhalen ze wat ze thuis van familieleden horen. Dit wordt niet voldoende door de docente onderkent, want zij is van mening dat de kinderen zelf heel slim zijn (‘soms zijn de kinderen slimmer dan ik ben’) en meent dat de kinderen voornamelijk slachtoffer zijn van de hele discussie rond de aanslag. Wat mij hierbij opvalt is dat er sinds de aanslag op de Twin Towers (9/11) weinig veranderd is aan de reacties van moslimjongeren (van een bepaald ontwikkelingsniveau), want vlak na de instorting van de eerste toren van het WTC-gebouw in 2001 gingen ze in Amsterdam-West ook juichend de straat op en vonden ze Osama bin Laden een grote held.

Het is natuurlijk ook niet moeilijk voor een vreemde cultuur of religie om over de hier geldende normen en waarden heen te walsen, als een docente een vraag naar het ter sprake brengen van vrijheid van meningsuiting -één van de kenmerken van een niet-repressieve samenleving- onderuit haalt met de tegenvraag ‘Wat is nou vrijheid van meningsuiting?’ en ‘dat weten we zelf ook niet’. Als dat zo is, dan is de volgende vraag die zich onmiddellijk opdringt wie het dan eigenlijk wel zou moeten weten, als docenten al in het duister tasten over zoiets fundamenteels in ons maatschappelijk systeem.

Het is de taak van onderwijzers in dit land om duidelijk te maken dat alles hier gezegd mag worden, maar dat dit niet betekent dat iedereen het met alles eens is wat geuit wordt of dat iedereen het even smakelijk of respectvol vindt. Dat onderscheid moet met alle mogelijke middelen aan die kinderen duidelijk gemaakt worden, zodat ze niet opgroeien met de verwarring dat je misschien sommige dingen beter maar niet kunt zeggen, omdat mensen er boos over zouden kunnen worden, want dat heeft voor de verwerving van dat recht historisch gezien ook nooit veel zoden aan de dijk gezet. Het onredelijke van het rekening houden met gevoeligheden bij anderen is dat anderen om steeds weer verschillende redenen en in verschillende gradaties zich gekwetst kunnen voelen al naar gelang ze meer -of minder in staat zijn tot zelfreflectie, waardoor toegeven aan dergelijke gevoeligheden lang niet altijd een teken is van beschaving of menselijkheid, maar vaak een knieval voor de onwetendheid, het taboe en het bijgeloof. Met gevoelens mogen we best  rekening houden, maar niet met ideologische blindheid.

Een gewetensvraag voor mensen die zichzelf willen censureren in het integratiedebat, is of ze rekening houden met een religie omdat ze die zo respecteren of omdat ze bang zijn voor de consequenties voor hun eigen veiligheid en die van anderen, wanneer ze afbeeldingen van de profeet plaatsen in de media. Een ongelijke behandeling van religies in het openbaar debat heeft ook consequenties voor onze veiligheid, omdat de rede daarmee wordt afgeremd, onder druk van geweld, waarmee niet langer de beste argumenten de doorslag zullen geven bij politieke beslissingen, maar irrationele overwegingen die een kennismaatschappij onwaardig zijn. Het onderwijs is de voorhoede van die kennismaatschappij en de ruimte die we elkaar geven om het hartgrondig met elkaar oneens te zijn zonder tot gewelddadige methodes te vervallen is iets wat van jongs af aan geleerd moet worden, anders heeft een diploma verder weinig betekenis in maatschappelijke zin.

Sven Snijer 

(1) http://svensnijer-essays.blogspot.nl/2014/11/weg-met-ons_19.html